Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het oprichten van een nieuw gebouw met commerciële, horeca-, kantoor- en hotelruimten en een ondergrondse kelder te Den Haag binnen een beschermd stadsgezicht. Verzoekster vreest dat het bouwplan afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van het stadsgezicht en voert meerdere gronden aan, waaronder onjuiste toepassing van het bestemmingsplan, onvoldoende motivering over afbreuk aan waarden, en gebrekkige parkeervoorzieningen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster belanghebbende is en dat spoedeisend belang aanwezig is vanwege de wens van vergunninghouder om snel te starten. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aanwijzingsbesluit geen regels bevat die veranderingen aan de bebouwing verbieden en dat het bouwplan voldoet aan de criteria van de Welstandsnota. De Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed heeft positief geadviseerd over het ontwerp en de inpassing.
Hoewel de voorzieningenrechter constateert dat de vier parkeerplaatsen aan een andere straat liggen dan het bouwplan en de loopafstand mogelijk te groot is, is dit geen reden voor schorsing omdat het college dit kan herstellen. Ook is de hotelstop inmiddels beëindigd en de brug maakt geen deel uit van het bouwplan. Gezien deze omstandigheden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en mag de vergunninghouder doorgaan met de bouw.