ECLI:NL:RBDHA:2025:22345

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL24.4270
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaan wegens gebrek aan objectieve bewijsvoering en geloofwaardigheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van een Nigeriaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. De eiser, die op 10 november 2021 een aanvraag indiende voor een verblijfsvergunning asiel, kreeg op 28 januari 2025 een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie, die de aanvraag als kennelijk ongegrond afwees. De rechtbank behandelt het beroep op 12 maart 2025 en 22 september 2025, waarbij de gemachtigden van zowel de eiser als de minister aanwezig zijn. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van de eiser over mogelijke problemen met de Nigeriaanse autoriteiten speculatief zijn en dat de overgelegde artikelen niet als objectieve betrouwbare bronnen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de asielaanvraag ongegrond is, omdat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij activistische activiteiten heeft verricht die hem in gevaar zouden kunnen brengen. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag, zonder vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4270

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 10 november 2021 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister ziet verder geen aanleiding om eiser ambtshalve een vergunning regulier voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek op medische gronden te verlenen. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn van uitgevaardigd en aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep eerst op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 22 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van het beroep van eiser. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven de beroepsgrond met betrekking tot artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet te zullen handhaven. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangedragen ten aanzien van het inreisverbod en de vertrektermijn. De beroepsgronden zijn derhalve alleen gericht tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond.
2.1.
De rechtbank acht het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en behoort tot de Yoruba bevolkingsgroep. Hij is op basis van een Frans visum legaal naar Nederland gereisd voor vakantiedoeleinden. Tijdens zijn vakantie kwam eiser er via zijn zus achter dat de Nigeriaanse autoriteiten, de secret service, op zoek naar hem zijn vanwege een interview dat hij heeft gegeven en waarin hij kritisch is naar de autoriteiten. Het interview is kort voor eisers vertrek afgenomen en gepubliceerd in twee kranten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opgepakt zal worden door de autoriteiten vanwege het gegeven interview.
3.1.
Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:
  • Geprinte versie van online publicatie interview First News, d.d. 3 oktober 2021
  • Geprinte versie van online publicatie interview First News, d.d. 13 oktober 2021
  • Kopie van de krant Sunday Tribune met interview, d.d. 17 oktober 2021
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • De problemen met de Nigeriaanse autoriteiten vanwege het geven van een interview aan diverse media net voor vertrek uit Nigeria.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn.
4.2.
De minister acht de problemen met de Nigeriaanse autoriteiten ongeloofwaardig. Omdat eiser dit asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten past de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling [1] toe. De minister heeft dit asielmotief in het kader daarvan niet geloofwaardig gevonden, omdat eiser volgens de minister zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend [2] , en eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [3] De gestelde problemen met de Nigeriaanse autoriteiten zijn daarom niet geloofwaardig. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Heeft de minister mogen stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijkheid geheel vormen?
5. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank deelt – kort samengevat – het standpunt van de minister dat de verklaringen over de mogelijke problemen met de autoriteiten speculatief blijven. Daarnaast is deugdelijk gemotiveerd waarom de overgelegde artikelen niet zijn aangemerkt als objectieve betrouwbare bronnen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij activistische activiteiten heeft verricht in Nigeria. De afzonderlijk aangevoerde argumenten en overgelegde informatie van eiser zal de rechtbank hieronder puntsgewijs behandelen.
Overleggen van objectieve betrouwbare bronnen
6. Eiser voert aan dat de door hem overgelegde algemene bronnen zijn standpunt onderbouwen dat het uiten van kritiek op leiders of over gevoelige onderwerpen kan leiden tot arrestaties en represailles. De minister heeft volgens eiser ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de authenticiteit van de ingebrachte artikelen en deze ten onrechte ter zijde geschoven. Eiser beroept zich op het arrest L.H. [4] Ook voert eiser aan dat het artikel van de
Sunday Tribuneen de publicatie in
Dalbergten onrechte niet zijn meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser stelt dat er op dit punt een motiveringsgebrek is.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de overgelegde artikelen niet als betrouwbaar zijn aangemerkt. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister specifiek heeft gekeken naar de ingebrachte bronnen. De informatie daaruit is afgezet tegen informatie van het EASO-rapport Nigeria [5] en het artikel ‘Nigeria: Brown envelope journalism, including types of publications that are affected: efforts to combat the phenomenon’. [6] Hieruit volgt dat het vervalsen of kopen van krantenartikelen in Nigeria een bekend fenomeen is en bekend staat als “brown envelope journalism”. Dit fenomeen treft naar verluidt alle soorten publicaties, waaronder blogs, tijdschriften, kranten en nieuwsuitzendingen. Verder bevat geen van de overgelegde artikelen een naam van een journalist. Dit draagt bij aan de twijfels over de betrouwbaarheid van de publicaties. De genoemde publicatie in
Dalberg, heeft eiser niet ingebracht en ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij dit artikel niet meer heeft kunnen achterhalen. Het beroep van eiser op het arrest L.H. slaagt niet omdat het in de zaak van eiser, anders dan in het arrest L.H., de minister de betreffende documenten wel in zijn beoordeling heeft betrokken, maar deze deugdelijk gemotiveerd niet als betrouwbaar heeft bestempeld. De door eiser overgelegde bronnen kunnen dan ook niet als onderbouwing van eisers standpunt gelden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Aannemelijkheid activistische activiteiten
7. Eiser voert aan dat hij in de logistieke wereld een bekend persoon was en dat mensen hem in die wereld goed kenden. Door zijn activistische activiteiten en het geven van een interview vlak voor zijn vertrek uit Nigeria, heeft eiser problemen gekregen met de Nigeriaanse autoriteiten.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eisers verklaring, dat er onderdrukking is en eiser democratie wil, erg algemeen is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken waarom juist zijn analytische expertise zo belangrijk zou zijn dat hij geïnterviewd zou worden. Eiser heeft weliswaar verwezen naar het mensenrechtenjaarrapport van UNDOS van april 2024, waarin staat dat het uiten van kritische meningen over politieke leiders of gevoelige onderwerpen af en toe leidt tot arrestaties of gewelddadige represailles, maar heeft niet onderbouwd waarom dit op hem persoonlijk van toepassing is. Specifieke voorbeelden van de onderwerpen waarvoor eiser opkomt ontbreken. Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdens de pandemie kritiek heeft geuit, maar de door hem genoemde publicatie in internetblog
Dalbergheeft hij niet kunnen overleggen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij in de problemen kan komen door zijn publicaties, omdat ook andere activisten in Nigeria represailles hebben ondervonden naar aanleiding van publicaties. Echter is ter zitting ook gebleken dat deze activisten, in tegenstelling tot eiser, veel publicaties op hun naam hebben staan en een eigen Wikipediapagina hebben. De minister heeft in zijn beoordeling mee mogen wegen dat, ondanks dat er volgens eiser vaker interviews van hem zijn verschenen, er maar drie artikelen over eiser zijn overgelegd. Bovendien zijn deze artikelen vlak voor eisers vertrek uit Nigeria gepubliceerd. Ter zitting heeft eiser geen informatie aangedragen die dit oordeel anders maken. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij activistische activiteiten ontplooide. In de lijn van het voorgaande heeft eiser evenmin onderbouwd dat hij hierdoor problemen met de Nigeriaanse autoriteiten te vrezen heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gezocht door autoriteiten
8. Eiser voert aan dat hij wordt gezocht door de Nigeriaanse autoriteiten. Hij heeft verklaard dat zijn zus hem heeft verteld dat de personen die naar hem op zoek waren van de secret service zijn. Dit was te zien aan het logo op hun auto en uniform. Eisers huurbaas heeft eisers woning leeggehaald omdat ook hij vreest voor de secret service. Daarnaast hebben omwonenden de secret service regelmatig zien rondrijden in de buurt. Eiser stelt dat deze verklaringen onderbouwen dat de autoriteiten naar hem op zoek.
8.1.
De rechtbank oordeelt in het verlengde van het voorgaande dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is dat eiser wordt gezocht door de autoriteiten. De minister heeft daarbij deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet samenhangend een aannemelijk heeft verklaard over de gestelde zoektocht naar hem. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat personen aan zijn zus hebben verteld dat de secret service naar eiser op zoek was. Hij vertelde in dit gehoor niet dat die personen een uniform droegen van de secret service en in een auto reden met hun logo erop. Eiser heeft deze informatie pas in de zienswijze ingebracht. Tijdens de zitting kon eiser ook niet duidelijk uitleggen waarom hij in de ene verklaring zegt dat de secret service stilletjes langskwam en in de andere verklaring dat ze juist herkenbare logo’s hadden. Door deze tegenstrijdigheden mocht de minister concluderen dat eisers verklaringen op dit punt onsamenhangend zijn en hoefde de minister zijn eerdere standpunt niet te veranderen. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat uit de verklaringen van de omwonenden niet blijkt dat de personen die langs eisers woning zijn gereden daadwerkelijk van de secret service waren of dat ze specifiek naar eiser zochten. Dat is nog minder aannemelijk omdat eiser in een flatgebouw woonde. De stellingen van eiser dat het wel duidelijk zou zijn dat de secret service hem zocht vanwege alle omstandigheden samen en dat eisers vrienden een onderzoek hebben gedaan, maakt dit niet anders omdat deze stellingen niet zijn onderbouwd. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn woning in Nigeria door de eigenaar is leeggehaald omdat eiser gezocht zou worden door de secret service. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister mogen stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?
9. Eiser stelt dat de minister niet van hem heeft mogen verlangen dat hij zich eerder had gemeld om een asielaanvraag in te dienen. Hij wist niet van de gang van zaken met betrekking tot asiel in Nederland en had de hoop terug te kunnen keren naar Nigeria.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet te volgen is dat eiser ruim drie weken heeft gewacht met het aanvragen van internationale bescherming terwijl hij aangeeft te vrezen voor zijn leven. De omstandigheid dat eiser pas na enige tijd een persoon had ontmoet van wie hij vernam dat hij zich in Ter Apel kon melden, heeft de minister niet als verschoonbare reden hoeven aannemen. Hierbij acht de rechtbank ook het referentiekader van eiser van belang. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de werkinstructie 2024/6 juist toegepast?
10. Eiser voert aan dat het huidige toetsingskader uit de werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) niet voldoet aan de Europese richtlijnen. Het beroep dient te worden aangehouden in afwachting van de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank. [7] Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats [8] , en stelt dat de minister hem ten onrechte niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven. De minister werpt artikel 31, zesde lid, onder c en d Vw tegen maar het is onduidelijk of de minister onder aan de streep nog gekeken heeft naar alle voorwaarden tezamen. Eiser verwijst in dit kader ook naar artikel 4, vijfde lid van de Kri [9] en voert aan dat het relaas niet ongeloofwaardig is als niet aan (een van) de vijf genoemde voorwaarden is voldaan. Onduidelijk is dat de overgelegde documenten bij de geloofwaardigheidsbeoordeling zijn meegewogen. Onder verwijzing naar het arrest L.H. stelt eiser dat het enkel benoemen van de documenten niet voldoende is.
10.1.
Ten aanzien van het huidige toetsingskader uit de WI 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 november 2025 [10] het volgende overwogen. In de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025 is geoordeeld dat in de geloofwaardigheidsbeoordeling op basis van de WI 2024/6 ten onrechte een integrale beoordeling van het asielrelaas ontbreekt. De werkwijze van de minister, die uitgaat van een rechtstreeks verband tussen het voldoen aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en de conclusie over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, is niet in overeenstemming met het Unierecht. Dit oordeel neemt echter niet weg dat het zo kan zijn dat in het concrete geval blijkt dat de conclusie van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet enkel en alleen is gebaseerd op het al dan niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw en dat er door de minister een afdoende (integrale) beoordeling heeft plaatsgevonden. In deze zaak blijkt daarvan. De rechtbank overweegt als volgt.
10.2.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 6.1. tot en met 9.1. heeft overwogen ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de minister een onvolledige toetsing van de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft uitgevoerd en dat het bestreden besluit daarom vernietigd moet worden. De rechtbank betrekt daar ook bij dat de minister ter zitting een toelichting heeft gegeven op de beoordeling van de overige voorwaarden van de geloofwaardigheidsbeoordeling (voorwaarden a, b en e van artikel 31, zesde lid van de Vw). Hierbij heeft de minister gesteld dat hij, ondanks dat eiser aan de eisen van deze overige voorwaarden heeft voldaan, zwaarder gewicht heeft toegekend aan de voorwaarden c en d. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. De afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Idem, onder d.
3.Idem, onder c.
4.ECLI:EU:C:2021:478.
5.EASO Country of Origin Information Report Nigeria Targeting of Individual, p. 90 November 2018.
6.Online:
9.Kwalificatierichtlijn.