ECLI:NL:RBDHA:2025:22326
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.L.M. Steinebach - de Wit
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 6 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiser als de minister aanwezig waren, maar eiser zelf niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft.
De rechtbank legt uit dat de Dublinverordening bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland een verzoek om terugname aan Frankrijk gedaan, dat is geaccepteerd. Eiser betoogt dat niet kan worden vastgesteld dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is, omdat hij ook aanvragen heeft ingediend in andere landen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht heeft aangenomen dat Frankrijk verantwoordelijk is, gezien de eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag daar en de bevestiging van de verantwoordelijkheid door Frankrijk.
Eiser heeft ook aangevoerd dat hij in Frankrijk geen adequate medische zorg zal ontvangen, maar de rechtbank oordeelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht aan Frankrijk kan plaatsvinden op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank wijst het beroep af en stelt dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.