ECLI:NL:RBDHA:2025:22150

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/09/676928 / HA ZA 24-1048
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 sub a UMVoArt. 9 lid 3 UMVoArt. 123 lid 1 UMVoArt. 124 UMVoArt. 125 lid 1 UMVo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens onvoldoende bewijs merkinbreuk en slaafse nabootsing CC Eurocontainers

Container Centralen vorderde dat JBB zou worden verboden CC Eurocontainers met het beeldmerk van Container Centralen te verhuren of verkopen, stellende dat JBB inbreuk maakte op haar Uniebeeldmerk en zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing. Container Centralen baseerde haar vorderingen op een gedetailleerde deurwaardersbeschrijving en een telefonisch gespreksverslag.

JBB betwistte dat zij CC Eurocontainers in voorraad had met het oog op verkoop of verhuur en stelde dat de containers in haar magazijn eigendom waren van derden, onderbouwd met verklaringen en transportdocumenten. Ook betwistte JBB dat het telefoongesprek een concreet aanbod tot verhuur of verkoop inhield en verwees zij naar het gebruik van algemene termen die niet specifiek naar de CC Eurocontainers verwijzen.

De rechtbank oordeelde dat Container Centralen onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om haar stellingen te onderbouwen en dat de gemotiveerde betwisting door JBB niet was weerlegd. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat sprake was van merkinbreuk of slaafse nabootsing. Ook de gevorderde inzage in bescheiden werd afgewezen wegens het ontbreken van een voldoende aannemelijk gemaakte rechtsbetrekking.

Container Centralen werd veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op €21.480, te voldoen binnen veertien dagen. Het vonnis werd gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en uitgesproken op 19 november 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Container Centralen af wegens onvoldoende bewijs van merkinbreuk en slaafse nabootsing.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/676928 / HA ZA 24-1048
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
CONTAINER CENTRALEN A/S, te Odense, Denemarken,
eiseres,
hierna te noemen: Container Centralen,
advocaat mr. B. Niemeijer te Alphen aan den Rijn,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
J.B.B. PACK B.V., te Maasdijk,
hierna te noemen: JBB,
gedaagde,
advocaat mr. J.A.J. Werner te Rotterdam.

1.1. De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 13 september 2024;
- de akte overlegging producties van Container Centralen, met de producties EP1-EP20;
- de conclusie van antwoord, met de producties GP1-GP4;
- de akte uitlaten tevens overlegging producties van JBB, met de producties GP5 en GP6;
- de akte overlegging producties van Container Centralen voor de zitting op 10 oktober 2025;
- de brief van mr. Werner van 9 oktober 2025, waarin bezwaar is gemaakt tegen de door Container Centralen ingediende producties EP22 en EP23.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025. De rechtbank heeft het bezwaar van JBB tegen de producties EP22 en EP23 van Container Centralen gehonoreerd en deze producties niet toegelaten. De rechtbank heeft productie EP21 van Container Centralen wel toegelaten. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.

2.De feiten

2.1.
Container Centralen is in 1976 opgericht en in volledig in handen van de Nederlandse Vereniging voor Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten.
2.2.
JBB drijft een onderneming die gespecialiseerd is in de handel van verpakkingen voor met name de sierteelt en de AGF-industrie (aardappelen, groenten en fruit).
2.3.
Container Centralen exploiteert twee rouleersystemen voor herbruikbare metalen transportkarren, door Container Centralen aangeduid als de CC Container en de CC Eurocontainer (hierna: de CC Eurocontainer). De deelnemers van de systemen zijn alle klant van Container Centralen.
2.4.
De CC Eurocontainer heeft een basiselement dat bestaat uit een platform met vier wielen in de vorm van een metalen rooster van 810 mm x 608 mm. Het basiselement kan worden opgebouwd met vier staanders die in de beugels kunnen worden geplaatst. Tussen de beugels kunnen legplaten worden bevestigd.
2.5.
Container Centralen is houdster van het hierna weergegeven Uniebeeldmerk (hierna: het Merk) geregistreerd in klassen 6, 12, 20 en 39 met registratienummer 007164981 en registratiedatum 9 april 2009:
2.6.
De CC Eurocontainers zijn voorzien van het Merk.
2.7.
Op de CC Eurocontainers rustte ook een modelrecht. Dit modelrecht is door het verstrijken van de maximale duur van 25 jaar inmiddels verlopen.
2.8.
De CC Eurocontainers en de daarbij horende materialen worden enkel door middel van verhuurovereenkomsten aan de deelnemers van het CC Eurocontainer-poolsysteem (hierna: het poolsysteem) of aan de andere type contractanten van Container Centralen ter beschikking gesteld. Door middel van een dergelijke (huur)overeenkomst verkrijgt een deelnemer het recht om het gecontracteerde aantal CC Eurocontainers en bijbehorende materialen te gebruiken.
2.9.
Binnen het poolsysteem kunnen de CC Eurocontainers tussen contractanten onderling worden uitgewisseld. De CC Eurocontainers worden door Container Centralen niet verkocht of op enige andere wijze buiten het poolsysteem gebracht. De deelnemers aan het poolsysteem kunnen dus ook niet zelf CC Eurocontainers inbrengen in dit systeem. Het eigendom van CC Eurocontainers ligt derhalve altijd bij Container Centralen zelf. Het is de deelnemers niet toegestaan de CC Eurocontainers (weder) te verhuren. Dit is opgenomen in de op de contractuele relatie van toepassing zijnde algemene voorwaarden.
2.10.
In opdracht van Container Centralen heeft PSG Recherche (hierna: PSG) een onderzoek ingesteld naar partijen die mogelijk CC Eurocontainers verhuren aan derden zonder daartoe gerechtigd te zijn. In het kader hiervan heeft PSG op 18 januari 2024 telefonisch contact gehad met JBB. PSG heeft hiervan het volgende gespreksverslag gemaakt:
“Op 18 januari 2024 is er telefonisch contact geweest met JBB Packaging Nederland (hierna te noemen JBB). Hier is gesproken met [naam 1] , deze heeft medegedeeld dat hij voor deze vraag contact moeten opnemen met [naam 2] , ook werkzaam bij JBB Packaging. [naam 1] heeft mij rapporteur vervolgens het mobiele nummer van [naam 2] JBB Pack gegeven. [naam 1] heeft ons bedankt en de verbinding
verbroken.
Op 18 januari 2024 is door rapporteur vervolgens met mij telefonisch contact opgenomen door [naam 2] op mobiele nummer [telefoonnummer] . Het nummer werd opgenomen door [naam 2] . Door rapporteur is aan [naam 2] gevraagd of hij voor week 20 tot en met week 26 eurocontainers kan verhuren. [naam 2] kan geen 400 EC containers leveren, hij heeft er mogelijk 360 staan, maar een paar kan hij nog vinden. Normaal
verkoopt hij deze alleen. [naam 2] gaf aan ‘het effe te laten liggen’ en zou erop terugkomen. [naam 2] is van JBB Pack. [naam 2] gaf verder aan dat ‘Landgard’ er ruim 150.000 in voorraad zou hebben voor verhuur.”
2.11.
Met “ [naam 2] ” wordt in het gespreksverslag bedoeld de heer [naam 3] , indirect bestuurder van JBB.
2.12.
Bij beschikking van 13 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Container Centralen verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag en het maken van een gedetailleerde beschrijving van de in het verzoekschrift van Container Centralen bedoelde zaken en/of omstandigheden.
2.13.
Op 20 maart 2024 heeft Container Centralen bewijsbeslag gelegd onder JBB.
2.14.
Op 20 en 21 maart 2024 heeft de deurwaarder op verzoek van Container Centralen een gedetailleerde beschrijving opgemaakt (hierna: de gedetailleerde beschrijving). Het proces-verbaal hiervan is op 25 maart 2024 aan JBB betekend.

3.Het geschil

3.1.
Container Centralen vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I JBB beveelt, binnen 48 uur na betekening van het vonnis, de inbreuken op het merkrecht van Container Centralen, zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding, te staken en gestaakt te houden, waaronder in elk geval begrepen in- en verkoop, aanbieden, huur en verhuur of anderszins verhandelen van (originele) CC Eurocontainers;
II JBB beveelt, binnen 48 uur na betekening van het vonnis het (doen) vervaardigen, inhuren, inkopen, aanbieden, verkopen of anderszins verhandelen van de (namaak) CC Eurocontainer (zoals genoemd in het lichaam van de dagvaarding) te staken en gestaakt te houden;
III bepaalt dat Container Centralen inzage krijgt in en door afgifte de beschikking krijgt over afschriften van de door de deurwaarder in beslag genomen en bij Equilibristen Gerechtsdeurwaarders B.V. in bewaring gegeven relevante bescheiden (waaronder tevens begrepen elektronische data) voor zover die gegevens (kunnen) bevatten over de inkoop, verkoop, verhuur of enige andere wijze van exploitatie van CC Eurocontainers en/of EC karren/containers en daaraan verwante materialen en/of verband houden met de (vermoede) inbreuk door JBB op het Merk van Container Centralen en/of de slaafse nabootsing van de CC Eurocontainer;
IV bepaalt dat Container Centralen inzage krijgt in en door afgifte de beschikking krijgt over afschriften van de door de deurwaarder in beslag genomen en bij Equilibristen Gerechtsdeurwaarders B.V. in bewaring gegeven relevante bescheiden (waaronder tevens begrepen elektronische data), voor zover in die bescheiden één of meerdere van de volgende (zoek)termen voorkomen: Eurocontainer, Euro container, EC, EC kar, EG Container, Container Centralen, CC, BC, BC kar, retail kar/container, transportmiddel(en), BC container, en voor zover die bescheiden informatie verschaffen over de vermoede inbreuk op het Merk en/of de slaafse nabootsing van CC Eurocontainers, waaronder begrepen de documenten gerelateerd aan transacties tussen JBB en de partijen genoemd in paragraaf 7.18 van de dagvaarding;
V JBB gebiedt om binnen 14 dagen na het vonnis al hetgeen bekend is omtrent de herkomst van de bij haar aanwezige of voormalig aanwezige CC Eurocontainer platen en toebehoren aan Container Centralen te verstrekken, waaronder begrepen de inkoopfacturen, verkoopfacturen en alle andere relevante bescheiden die verband houden met de handel in CC Eurocontainers en/of namaak CC Eurocontainers, waaronder begrepen de documenten gerelateerd aan transacties tussen JBB en de partijen genoemd in paragraaf 7.18 van de dagvaarding;
VI JBB gebiedt om binnen één maand na het vonnis alle in haar bezit zijnde (op voorraad, dan wel verstrekt aan derde(n), dan wel door haar verkregen voor derde(n)) CC Eurocontainers en daarbij horende materialen zoals blijkt uit de door haar op te maken opgave onder sub V af te geven aan Container Centralen;
VII JBB gebiedt om binnen één maand na het vonnis alle in haar bezit zijnde namaak CC Eurocontainers (waaronder aan derde(n) verhuurde containers) en daarbij behorende namaak materialen zoals blijkt uit de door haar op te maken opgave onder sub V te (doen) vernietigen en Container Centralen bewijs te verstrekken van vernietiging;
VIII JBB beveelt alle medewerking te verlenen aan het hiervoor gevorderde onder III tot en met VII;
IX JBB veroordeelt tot betaling aan Container Centralen van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000 voor elke dag of deel van een dag dat JBB in strijd handelt met enig bevel gegeven onder sub I tot en met VIII en/of enig gedeelte daarvan, met een maximum van € 1.000.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en maximum;
X JBB veroordeelt tot vergoeding van de door Container Centralen geleden en nog te lijden schade als gevolg van de inbreuken op het Merk en/of het onrechtmatig handelen zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding, welke schade nader opgemaakt zal worden bij staat;
XI JBB veroordeelt tot vergoeding van de volledige proceskosten van Container Centralen in deze procedure, inclusief de kosten van beslag, op grond van artikel 1019h Rv [1] .
3.2.
Aan deze vorderingen legt Container Centralen, samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. Het zonder toestemming van Container Centralen aanbieden, verhuren of anderszins verhandelen van CC Eurocontainers vormt een inbreuk op het Merk van Container Centralen op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVo Pro [2] . JBB biedt de CC Eurocontainer te koop en te huur aan, zonder dat zij hiervoor toestemming heeft van Container Centralen om zulks te mogen doen en JBB kan zich op dit punt niet beroepen op uitputting van het merkrecht. Daarnaast is het aanbieden en/of anderszins verhandelen en/of op voorraad houden van niet-originele CC Eurocontainers (zonder het Merk) onrechtmatig jegens Container Centralen. JBB biedt ook namaak-CC Eurocontainers te huur aan. Haar kan dus ook slaafse nabootsing worden verweten. Gelet op dit een en ander heeft Container Centralen rechtmatig belang bij inzage in de beslagen bescheiden. Die bescheiden zijn relevant voor het verder onderbouwen van de inbreuk en voor het verkrijgen van inzicht in de te verhalen schade. De bescheiden zijn voldoende bepaald. Tot de relevante bescheiden behoren onder meer overeenkomsten, facturen en administratie aangaande transacties tussen JBB en leveranciers van (namaak-)CC Eurocontainers. Deze bescheiden zien op de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad tussen Container Centralen en JBB vanwege inbreuk op de merkrechten van Container Centralen en/of onrechtmatig slaafs nabootsen door JBB jegens Container Centralen.
3.3.
JBB concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.
Voor zover Container Centralen haar vorderingen grondt op (inbreuk op) het Merk, is de rechtbank op grond van de artikelen 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 van de UMVo in verbinding met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk (internationaal en relatief) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Container Centralen, omdat JBB woonplaats heeft in Nederland.
4.2.
Ten aanzien van de overige grondslag, onrechtmatige daad (slaafse nabootsing), is de rechtbank eveneens bevoegd om van het geschil kennis te nemen, alleen al omdat die bevoegdheid niet is bestreden.
Merkinbreuk en slaafse nabootsing
4.3.
De rechtbank zal allereerst ingaan op de door Container Centralen gestelde merkinbreuk en onrechtmatig slaafse nabootsing. Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Rv Pro) is het aan Container Centralen om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, als deze gemotiveerd worden betwist, te bewijzen, waaruit kan volgen dat van de gestelde merkinbreuk en/of onrechtmatige slaafse nabootsing sprake is.
4.4.
Container Centralen stelt dat de merkinbreuk en het onrechtmatig slaafs nabootsen volgt uit (i) de gedetailleerde beschrijving waaruit zou blijken dat een grote voorraad originele en namaak CC Eurocontainers bij JBB aanwezig was en (ii) het telefoongesprek van 18 januari 2024, waaruit een aanbod tot verkoop of verhuur van CC Eurocontainers door JBB zou blijken.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren een voorbehouden handeling is als bedoeld in artikel 9 lid 3 aanhef Pro en sub b UMVo. Uit het woord ‘daartoe’ in die bepaling volgt dat het in voorraad hebben van waren alleen als een voorbehouden handeling wordt gezien als degene die de opslag verricht zelf het voornemen heeft om de waren aan te bieden of in de handel te brengen. [3]
4.6.
Met betrekking tot de gedetailleerde beschrijving wordt het volgende overwogen.
4.7.
JBB heeft gemotiveerd betwist dat zij originele of namaak CC Eurocontainers in voorraad had voor verkoop of verhuur. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij weliswaar (612) (originele) CC Eurocontainers in haar magazijn had staan, maar dat die toebehoorden aan Celieplant B.V. (hierna: Celieplant) en dat laatstgenoemde de containers op 21 maart 2024 door BBT Transport heeft laten ophalen voor transport naar Van Lint B.V. (hierna: Van Lint). Ter onderbouwing hiervan heeft JBB gewezen op a) de verklaring van [naam 5] van Celieplant van 29 mei 2024 (productie EP20), b) de gedetailleerde beschrijving, waaruit blijkt dat een magazijnmedewerker van JBB ( [naam 4] ) de deurwaarder heeft medegedeeld dat de containers zijn opgehaald door de eigenaar en dat die artikelen daar slechts in depot stonden, c) de afleverbon die [naam 4] heeft ontvangen en aan de deurwaarder heeft getoond (bijlage 1 van de gedetailleerde beschrijving) en d) de uitgiftebon die door JBB is verstrekt bij de uitgifte van de containers namens Celieplant aan Van Lint via BBT Transport (bijlage 2 van de gedetailleerde beschrijving). De onder a) bedoelde verklaring luidt als volgt:
“J.B.B. Pack B.V. geeft ons de mogelijkheid om haar bedrijf als op-/overslag te gebruiken. Wel binnen redelijke grenzen natuurlijk. Wij zetten regelmatig goederen bij JBB neer, meestal voor korte tijd. Dat is op basis van de goede relatie tussen JBB en ons. Hier ligt dus geen overeenkomst onder. Wij kunnen dit dus ook niet contractueel afdwingen.
Wij hebben een “gedetailleerde beschrijving” van deurwaarder mr [deurwaarder] gezien van 20 en 21 maart 2024 waarin hij ec containers, staanders en platen noemt die hij bij JBB heeft gezien. De karren, staanders en leggers die daar worden genoemd lagen daar voor ons. Die zijn dus niet van JBB.
Wij merken wel op dat de telling van de deurwaarder volgens ons niet klopt. Bij JBB binnen lagen er als het goed is 612 ec karren, 2.448 ec staanders en 12 ec platen voor ons. Die zijn op 21 maart 2024 door BBT Transport opgehaald bij JBB voor transport naar Van Lint in Boskoop. Dat staat ook zo in de beschrijving van de deurwaarder.
We hebben nooit ec karren, staanders of platen van JBB gekocht of gehuurd.”
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft JBB met deze standpunten en stukken voldoende gemotiveerd betwist dat zij CC Eurocontainers in voorraad had met als doel om deze zelf aan te bieden of in de handel te brengen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaring van [naam 5] van Celieplant (genoemd onder a) hiervoor) overeenkomt met de verklaring die [naam 4] ten tijde van de gerechtelijke beschrijving aan de deurwaarder heeft gegeven (genoemd onder b) hiervoor), namelijk dat de CC Eurocontainers bij JBB in voorraad lagen voor Celieplant, en dat die verklaring is onderbouwd met de stukken die zijn bijgevoegd bij de gedetailleerde beschrijving (genoemd onder c) en d) hiervoor).
4.9.
In reactie op de standpunten van JBB heeft Containers Centralen zich nog op het standpunt gesteld dat er volgens de gedetailleerde beschrijving geen 612 maar 416 CC Eurocontainers bij JBB aanwezig waren, dat de uitgiftebon niet gedateerd en dus niet verifieerbaar is, dat de afleverbon een oud model betreft dat in 2024 niet meer gangbaar was en dat de bon niet volledig is, omdat de Europaletten niet op de bon zijn vermeld. JBB heeft dit vervolgens weersproken, onder meer door aan te geven dat de bonnen niet van haar afkomstig zijn. De rechtbank ziet daarbij niet in hoe dit betoog van Container Centralen de stelling kan onderbouwen dat JBB de CC Eurocontainers in voorraad had met als doel om deze zelf aan te bieden of in de handel te brengen. Container Centralen heeft dat ook niet duidelijk gemaakt.
4.10.
Met betrekking tot het gespreksverslag wordt het volgende overwogen.
4.11.
Uit het verslag blijkt niet van een concreet aanbod van JBB tot het verkopen of verhuren van containers. Ten eerste heeft JBB niet zelf een partij benaderd met een aanbod, maar heeft zij slechts gereageerd op een verzoek van PSG, namelijk of JBB voor bepaalde weken containers kon verhuren. Ten tweede was de reactie van JBB op dit verzoek van PSG niet bevestigend. Van Bergenhenegouwen heeft blijkens het verslag slechts gezegd dat hij “
geen 400 EC containers [kan] leveren
,dat hij “
er mogelijk 360 [heeft] staan, maar een paar nog [kan] vinden”, dat hij deze “
normaal alleen verkoopt” en dat hij het “
effe [laat] liggen” en er nog op zou terugkomen (hetgeen niet is gebeurd althans gelukt). Bovendien blijkt uit het gespreksverslag niet, althans niet voldoende, dat is gesproken over CC Eurocontainers, maar slechts over “eurocontainers” en “EC Containers”. Container Centralen stelt weliswaar dat iedereen in de markt weet dat met deze termen CC Eurocontainers worden bedoeld, maar JBB heeft dat voldoende gemotiveerd weersproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de begrippen “eurocontainers” en “EC Containers” gangbare, algemene aanduidingen zijn voor metalen plantenkarren waarvan de buitenmaten gelijk zijn aan een halve “europallet” of “EUR-pallet”. Deze termen worden volgens JBB ook gebruikt als aanduiding voor zogenaamde “retail containers”, die dezelfde buitenafmetingen hebben als de eurocontainers, maar die een houten onderplaat en houten legborden en vierkante staanders hebben. Ter onderbouwing van deze betwisting heeft JBB verwezen naar een afdruk van de internetpagina van Esra Intern Transport en Opslag en Horti-Innovations BV (productie GP01). Container Centralen heeft haar stelling op dit punt vervolgens niet nader onderbouwd.
4.12.
Ten slotte acht de rechtbank van belang dat zowel het gespreksverslag als de gerechtelijke beschrijving dateren van begin 2024 (ruim anderhalf jaar geleden) en Container Centralen geen nadere onderbouwing heeft gegeven voor de door haar gestelde merkinbreuk en slaafse nabootsing. Zo heeft Container Centralen nog naar voren gebracht dat ‘andere partijen in de branche’ te kennen hebben gegeven ‘CC materialen’ te huren van JBB, maar dit standpunt op geen enkele manier onderbouwd.
4.13.
De conclusie uit het voorgaande is als volgt. Gezien de gemotiveerde betwisting door JBB van de door Container Centralen gestelde merkinbreuk en onrechtmatig slaafse nabootsing, had van Container Centralen verwacht mogen worden dat zij haar stelling dat JBB zich schuldig heeft gemaakt aan merkinbreuk en slaafse nabootsing nader zou onderbouwen. Dit heeft zij niet, althans onvoldoende, gedaan. Hierdoor heeft Container Centralen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze vorderingen niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Daarmee is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van merkinbreuk en/of onrechtmatig slaafse nabootsing. De hierop gebaseerde vorderingen onder I en II, en de nevenvorderingen onder V t/m X, zullen daarom worden afgewezen.
Inzage
4.14.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de inzagevorderingen van Container Centralen (vorderingen III en IV). Hierop is het bepaalde in artikel 843a (oud) Rv juncto artikel 1019a Rv van toepassing.
4.15.
Artikel 843a Rv biedt een zelfstandige grondslag voor een vordering tot inzage aan degene die daarbij een rechtmatig belang heeft. De toewijsbaarheid daarvan is, met name ter voorkoming van zogenaamde
fishing expeditions, aan de in lid 1 van artikel 843a Rv neergelegde (vier) voorwaarden gebonden. Op grond van dit artikellid kan degene die daarbij (a) rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van (b) bepaalde bescheiden (c) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, (d) van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking heeft.
4.16.
Artikel 1019a lid 1 Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. Bij betwisting van die inbreuk, en dus van het bestaan van een rechtsbetrekking, zal degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. [4] Wat als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij worden hogere eisen gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. Niet behoeft echter te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing van een vordering in kort geding. [5] Uit de stellingen en (zo mogelijk met bewijsmateriaal gestaafde) feiten en omstandigheden moet een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk kunnen worden afgeleid. [6]
4.17.
Voor de op de grondslag van slaafse nabootsing gebaseerde vordering geldt dat deze niet wordt genoemd in artikel 1019 Rv Pro als recht waarop titel 15 (artikel 1019 t/m 1019i) Rv van toepassing is, en dus buiten de reikwijdte van artikel 1019a Rv valt. Echter, ook buiten het terrein van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede onrechtmatige daad aan te kunnen tonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. [7]
4.18.
Container Centralen heeft het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a (in verbinding met artikel 1019a Rv) op dezelfde wijze onderbouwd als de gestelde merkinbreuk en slaafse nabootsing, namelijk door te wijzen op de gerechtelijke beschrijving en het gespreksverslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Container Centralen met deze stellingen, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door JBB, eveneens onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat voldoende aannemelijk is geworden dat merkinbreuk en/of onrechtmatig slaafs nabootsen zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen zij in 4.6 t/m 4.13 hiervoor heeft overwogen. Hierdoor is geen sprake is van de voor toewijzing van de inzagevorderingen vereiste rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv (in verbinding met artikel 1019a Rv) tussen Container Centralen en JBB. De inzagevorderingen zullen dus worden afgewezen.
Proceskosten
4.19.
Container Centralen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. JBB maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Partijen hebben gesteld dat 60% van de door hen gemaakte proceskosten ziet op het IE-deel en 40% op het niet-IE-deel. De rechtbank zal bij de begroting van de proceskosten daarom deze percentages aanhouden.
4.20.
JBB heeft specificaties van haar proceskosten (exclusief BTW) overgelegd van in totaal € 49.365,14. Dit betreft de advocaatkosten. Hiervan is 60%, dat is € 29.619,08, toerekenbaar aan het IE-deel.
4.21.
De onderhavige zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv Pro. Om de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde advocaatkosten te kunnen beoordelen, zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt, gelet op het relevante feitencomplex en de grondslagen van de vorderingen, naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘normale bodemzaak’ met een maximumtarief van € 20.000. Het bedrag aan advocaatkosten van JBB dat toerekenbaar is aan het IE-deel (€ 29.619,08) overstijgt dit bedrag van € 20.000. Hierdoor is een bedrag van € 20.000 toewijsbaar voor het IE-deel.
4.22.
Voor het niet-IE-deel van de zaak zal de rechtbank voor het vaststellen van de advocaatkosten van JBB het liquidatietarief II gebruiken. Dit betekent dat een bedrag van (40% x 2,5 punten à € 614 =) € 614 zal worden toegekend. Het totale toegewezen bedrag aan advocaatkosten (voor het IE-deel en het niet-IE-deel) bedraagt aldus € 20.614.
4.23.
Het bedrag aan advocaatkosten wordt verhoogd met het griffierecht van € 688. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op € 178. De totale proceskosten aan de zijde van JBB worden nu aldus begroot op € 21.480. In geval van betekening worden een extra bedrag aan salaris (€ 92) en de explootkosten van betekening toegekend.
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt Container Centralen in de kosten van de procedure, aan de zijde van JBB tot op heden begroot op € 21.480, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet Container Centralen € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025. [8]

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
2.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.
3.HvJ EU 2 april 2020, ECLI:EU:C:2020:267 (Coty/Amazon), rov. 45.
4.Hoge Raad 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov, 3.2.2.
5.Vgl. Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex cs/X cs).
6.Vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem).
7.Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex cs/X cs), rov. 3.1.4.
8.type: 1554