ECLI:NL:RBDHA:2025:22136
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan procesbelang na vertrek met onbekende bestemming
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de Minister van Asiel en Migratie behandeld. De minister had op 1 november 2024 de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M.F. Wijngaarden, heeft echter geen contact meer met zijn gemachtigde en is op 4 maart 2025 met onbekende bestemming vertrokken, zoals gemeld door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 besloten dat de behandeling van het beroep op de geplande zitting van 30 oktober 2025 geen doorgang vindt en dat het onderzoek wordt gesloten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats, er vanuit moet worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat hij geen contact meer heeft met eiser, wat de rechtbank doet concluderen dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, wat betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden plaatsvindt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier, en is openbaar uitgesproken op 18 november 2025.