ECLI:NL:RBDHA:2025:22136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL24.47220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de Minister van Asiel en Migratie behandeld. De minister had op 1 november 2024 de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M.F. Wijngaarden, heeft echter geen contact meer met zijn gemachtigde en is op 4 maart 2025 met onbekende bestemming vertrokken, zoals gemeld door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 besloten dat de behandeling van het beroep op de geplande zitting van 30 oktober 2025 geen doorgang vindt en dat het onderzoek wordt gesloten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats, er vanuit moet worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat hij geen contact meer heeft met eiser, wat de rechtbank doet concluderen dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, wat betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden plaatsvindt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier, en is openbaar uitgesproken op 18 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.47220
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 1 november 2024. Bij het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
2. Nadat beide partijen hadden meegedeeld niet op zitting te zullen verschijnen, heeft de rechtbank op 29 oktober 2025 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 30 oktober 2025 geen doorgang vindt en dat het onderzoek wordt gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De minister heeft in het bericht van 15 mei 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser op (in ieder geval) 4 maart 2025 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is geregistreerd met als onbekende bestemming vertrokken (MOB). Waar de gemachtigde eerder had meegedeeld contact te hebben met eiser, heeft hij op 14 oktober 2025 bericht dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hem niet bekend is waar eiser verblijft.
5. Zoals volgt uit eerdere rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:961, en 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9272, hoeft de bestuursrechter een bij hem ingesteld (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het aangewende rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en dat dit voor hem van feitelijke
betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep.
6. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel vanuit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een MOB- melding mag het beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de richtinggevende uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
7. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de aangeleverde informatie van de gemachtigde van eiser dat hij geen contact met eiser heeft, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te bescherming belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit.
8. Het beroep is gezien het voorgaande niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgronden.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.