In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een beroep dat is ingediend door eiser, omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 7 januari 2025. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar de minister heeft hier niet op gereageerd. Hierop heeft eiser beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard. Dit houdt in dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft daarbij het ‘8+8 wekenmodel’ toegepast, wat betekent dat de minister binnen zestien weken na de uitspraak een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van de uitspraak.
De rechtbank heeft een rechterlijke dwangsom opgelegd aan de minister. Indien de minister niet binnen de opgelegde termijn een besluit neemt, is hij een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, in aanwezigheid van griffier K.D.M. Nijholt, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.