Eiseres, een Iraanse vrouw, vroeg een visum kort verblijf aan voor familiebezoek aan haar vader in Nederland, samen met haar minderjarige dochter. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het doel en de omstandigheden van het verblijf kon waarmaken en er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer naar Iran. De minister baseerde dit onder meer op het onrechtmatig gebruik van een eerder visum in 2015 en onvoldoende bewijs van economische en sociale binding met Iran.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht twijfelde aan het doel van het verblijf, mede omdat het verblijf mede bedoeld was om voor de vader te zorgen, terwijl diens medische situatie ook na het beoogde verblijf voortduurt. Daarnaast was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres een substantieel inkomen uit arbeid in Iran had en dat haar sociale binding, waaronder het huwelijk, voldoende was om tijdige terugkeer te waarborgen.
Eiseres stelde dat zij niet gehoord was in de bezwaarfase, maar de rechtbank vond dat de minister terecht van horen kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van kosten of griffierecht terug.