ECLI:NL:RBDHA:2025:22086
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Koerdische Turkse nationaliteit wegens onvoldoende zwaarwegendheid
Eiser, een Turkse staatsburger van Koerdische afkomst, verzocht op 6 december 2024 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit verzoek af op 4 december 2024, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank behandelde het beroep in twee zittingen, waarbij een nieuw asielmotief werd toegelicht en nader onderzocht.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn Koerdische etniciteit, deelname aan HDP-demonstraties, verkrachting door politie, mishandeling door ultranationalisten, dienstplicht en vermeende toedichting van Gülenisme risico loopt bij terugkeer naar Turkije. De minister achtte de motieven geloofwaardig maar onvoldoende zwaarwegend voor een verblijfsvergunning, onder meer omdat eiser niet voldeed aan het risicoprofiel van HDP-activisten, geen acute dreiging van herhaling van het verkrachtingsincident bestond en de dienstplicht geen gegronde vervolgingsvrees opleverde.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ernstig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt of dat hij daadwerkelijk in de negatieve belangstelling van Turkse autoriteiten stond vanwege zijn politieke of etnische achtergrond. Ook de vermeende toedichting van Gülenisme op grond van zijn werkzaamheden bij een shoarmaketen werd niet bewezen geacht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.