Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende op 17 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Duitsland om hem terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke door Duitsland werd aanvaard. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de procedure.
Eiser stelde dat hij in Duitsland traumatische ervaringen had opgedaan, een vertrekbevel ontving en vreest voor indirect refoulement bij terugkeer. Hij voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is en dat overdracht onevenredige hardheid voor hem oplevert vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en gezinsbanden in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen had geleverd om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Zijn persoonlijke ervaringen en medische klachten waren niet onderbouwd met bewijs. Ook was zijn vrees voor indirect refoulement niet aannemelijk gemaakt. De gezinsbanden werden niet als bijzondere omstandigheden erkend die overdracht zouden verhinderen.
Daarom bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. Bouter-Rijksen op 12 november 2025.