ECLI:NL:RBDHA:2025:21881
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zichzelf en zijn twee kinderen bij een referent. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag is ingediend op 22 juni 2024 en de minister had uiterlijk 20 december 2024 moeten beslissen, maar heeft dat niet gedaan. Eiser heeft op 8 januari 2025 rechtsgeldig ingebrekestelling gedaan en op 4 juni 2025 het beroep ingesteld, dat tijdig is. De rechtbank acht het beroep kennelijk gegrond.
De rechtbank overweegt dat bij aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn kan worden opgelegd. De minister verzocht om een termijn van zestien weken, welke de rechtbank redelijk acht.
De rechtbank legt de minister op binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 in bij overschrijding. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van €453,50.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen zestien weken een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.