ECLI:NL:RBDHA:2025:21718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
NL24.8534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EGBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging prematuur terugkeerbesluit tijdelijke bescherming derdelander

Eiseres, een Indiase nationaliteit houdende derdelander met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning, verbleef in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Op 7 februari 2024 legde de minister van Asiel en Migratie een terugkeerbesluit op, waarbij eiseres werd opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank overwoog dat de minister de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 beëindigde op basis van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter en een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Echter, de hoogste bestuursrechter had ook geoordeeld dat een terugkeerbesluit niet mag worden opgelegd zolang een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, zoals het geval was bij eiseres onder de facultatieve tijdelijke bescherming.

Daarom was het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 prematuur en diende het te worden vernietigd. De rechtbank achtte het beroep kennelijk gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat het prematuur was opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8534

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 7 februari 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland dient te verlaten.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiseres heeft niet de Oekraïense nationaliteit maar beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning op 23 februari 2022. Eiseres verbleef in Nederland onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [2] Verder had eiseres eerder een studievergunning die met terugwerkende kracht is ingetrokken omdat eiseres niet meer aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning voldeed, hiertegen is eiseres in bezwaar gegaan. Dit bezwaar loopt nog.
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Daarnaast heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Op 5 maart 2024 heeft eiseres hier beroep tegen ingesteld.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert – voor zover van belang – aan dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom de tijdelijke bescherming vanaf 4 maart 2024 eindigt. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiseres gebaseerd op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 januari 2024, [3] waarin het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie [4] op verkeerde wijze is uitgelegd. Daarnaast moest verweerder eiseres in de gelegenheid stellen haar persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat hij tot een terugkeerbesluit kwam en heeft verweerder nagelaten een duidelijk land van terugkeer te vermelden. Verweerder heeft daarom ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Verweerder stelt in haar verweerschrift dat er nog geen nieuw terugkeerbesluit wordt opgelegd in verband met de lopende bezwaarprocedure omtrent eiseres haar studievergunning. Hierdoor is het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in stand gebleven.
4.1.
De hoogste bestuursrechter heeft – na het instellen van beroep door eiseres – in haar uitspraken van 23 april 2025, [5] inmiddels geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn. De hoogste bestuursrechter is tot deze uitspraken gekomen onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 en naar het arrest Kaduna en Abkez [6] van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.2.
Nu de hoogste bestuursrechter op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming eerder mocht beëindigen dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van dat oordeel.
4.3.
Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter [7] en het arrest Kaduna en Abkez [8] volgt ook dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De hoogste bestuursrechter heeft daarom geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is daarom prematuur. Omdat het terugkeerbesluit reeds daarom moet worden vernietigd, zal de rechtbank niet ingaan op de andere gronden van eiseres.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het terugkeerbesluit wordt vernietigd.
6. Verweerder moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907, -. [9]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van I.D. van der Meché, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
4.Van 19 oktober 2023.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
6.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.