ECLI:NL:RBDHA:2025:21471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
NL23.30039
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit voor vreemdeling uit Nigeria

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, tegen een terugkeerbesluit dat hem is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had tijdelijk verblijf in Nederland op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, maar zijn verblijfsrecht eindigde op 4 maart 2024. De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming en het daaropvolgende terugkeerbesluit op goede gronden zijn genomen. Eiser had eerder beroep ingesteld tegen een besluit van 12 juli 2023, maar dit werd ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat er geen rechtmatig verblijf was op het moment van het terugkeerbesluit op 18 juli 2025, en dat verweerder bevoegd was om dit besluit op te leggen. Eiser voerde aan dat de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming onterecht was, maar de rechtbank volgt hem hierin niet. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30039

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 18 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 13 juli 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [2]
3. Op 12 juli 2023 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 5 februari 2024 heeft verweerder het besluit ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar een nieuw genomen besluit van 7 februari 2024.
4. Met het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft dat besluit later ingetrokken [3] en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het besluit van 18 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op het nieuw genomen besluit.
4.1.
Met het nieuwe besluit van 18 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, [4] waarin het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie [5] op verkeerde wijze is uitgelegd. Eiser verwijst daarbij naar het artikel ‘Een onrechtmatig cadeautje voor de staatssecretaris’ van mr. dr. Grütters.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen de ingetrokken besluiten
6. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het besluit van 24 augustus 2023, wat later is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 7 februari 2024 worden beschouwd als nader besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb omdat voldoende sprake is van samenhang tussen de twee terugkeerbesluiten. Het beroep van eiser ziet daarom ook op het besluit van 7 februari 2024 en ingevolge artikel 6:19 van de Awb op het besluit van 18 juli 2025.
Rechtmatig verblijf en het terugkeerbesluit
7. Uit de uitspraken van de Afdeling [6] en het arrest Kaduna en Abkez [7] volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 18 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
7.1.
De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, [8] onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, [9] geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van mr. dr. Grütters.
8. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM [10] bij terugkeer naar Nigeria.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 18 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van de ingetrokken terugkeerbesluiten van 24 augustus 2023 en 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
10. Nu verweerder de eerdere besluiten [11] waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. [12]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
5.Van 19 oktober 2023.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Van 24 augustus 2023 en van 18 juli 2024
12.2 punten voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.