ECLI:NL:RBDHA:2025:21003
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verblijf en verwijderingsbesluit Unieburger met twijfel over middelen van bestaan
Eiser, een Poolse Unieburger, werd geconfronteerd met een besluit van verweerder dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland vanwege twijfel over zijn middelen van bestaan. Dit volgde op een onderzoek naar zijn verblijfsrecht, ingegeven door zijn frequente politiecontacten en vermoedelijk zwervend bestaan.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de procedure en dat de belangenafweging onjuist was. Ook stelde hij dat de opgelegde vertrektermijn onterecht zonder belangenafweging was vastgesteld en dat verweerder onvoldoende duidelijkheid gaf over het beëindigen van zijn verblijf en zijn rechten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een onderzoek instelde vanwege redelijke twijfel, onderbouwd met politiegegevens en misdrijven. Het besluit was zorgvuldig genomen, met voldoende informatievoorziening en een beëdigde tolk. De belangenafweging was volledig en terecht in het nadeel van eiser. De vertrektermijn van één maand was conform jurisprudentie en hoefde niet afzonderlijk te worden afgewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.