Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 behandeld, waarbij eiser niet aanwezig was maar vertegenwoordigd werd door zijn gemachtigde.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke ervaringen van mishandeling en onrechtmatige bewaring in Bulgarije en dat er ernstige systematische tekortkomingen zijn in de Bulgaarse asielprocedure en opvangvoorzieningen, zoals beschreven in het AIDA-rapport van maart 2025. Hij voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is vanwege deze tekortkomingen en dat de minister zijn aanvraag daarom had moeten behandelen.
De rechtbank oordeelt echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije nog steeds geldt, mede gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het AIDA-rapport bevat geen wezenlijk nieuwe informatie die tot een ander oordeel leidt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij bij terugkeer in Bulgarije een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling of dat er sprake is van een situatie van zwaarwegende systeemfouten. Ook zijn medische klachten zijn niet met objectieve gegevens onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en dat eiser overgedragen mag worden aan Bulgarije. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.