ECLI:NL:RBDHA:2025:20860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.52277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 94 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder geldig reisdocument

De rechtbank Den Haag behandelde op 5 november 2025 het beroep van een Tunesische vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd ingesteld vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser voerde aan dat hij als asielzoeker Nederland binnenkwam en niet wist dat hij vertrek moest melden, en dat hij wilde verhuizen naar Zwitserland om een verblijfsvergunning aan te vragen bij zijn vriendin. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring niet zijn bestreden en dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, mede omdat eiser geen geldig grensoverschrijdingsdocument bezit en wisselende verklaringen gaf over zijn relatie.

De rechtbank toetste ook ambtshalve of het non-refoulementbeginsel, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen verwijdering, maar vond geen aanwijzingen daarvoor. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Dogan),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 27 oktober 2025 beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Vervolgens heeft de rechtbank op 28 oktober 2025 een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw ontvangen. Deze kennisgeving is niet als afzonderlijk beroep geregistreerd, maar bij dit beroep gevoegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
2. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat hij als asielzoeker Nederland is binnengekomen en asielzoekers nooit op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen. Hij wist niet dat een vertrek kenbaar moest worden gemaakt aan de Nederlandse autoriteiten, maar heeft zich door uit Nederland te vertrekken aan de vertrekplicht gehouden. Door het overleggen van een kopie van zijn identiteitsbewijs werkt eiser wel mee aan de vatstelling van zijn identiteit. Hij wil graag in Europa een aanvraag om een verblijfsvergunning bij zijn Zwitserse vriendin indienen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden niet heeft bestreden. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, r.o. 15 en verder. Omdat deze zware gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de door eiser bestreden lichte gronden geen bespreking meer. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser heeft nog aangevoerd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Eiser wil graag naar zijn Zwitserse vriendin in Zwitserland en in staat worden gesteld om een aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en
het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument en daarom niet in staat is om legaal naar Frankrijk te reizen. Hij heeft over de vriendin wisselende verklaringen afgelegd; zo blijkt uit de stukken dat hij op 23 september 2025 nog heeft verklaard geen relatie te hebben en tijdens een gehoor op 1 oktober 2025 verklaart hij een relatie en een huis (waarvan hij ter zitting verklaart dat dat in Frankrijk staat) te hebben. Hij heeft zijn stellingen over zijn vriendin en het huis niet met schriftelijke stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.
9. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven. Uit de gronden van beroep en hetgeen ter zitting is besproken volgt niet dat als eiser terugkeert naar Tunesië er aanwijzingen zijn dat het non-refoulementbeginsel en/of het belang van het kind en het familie- of gezinsleven zal worden geschonden.
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.