ECLI:NL:RBDHA:2025:20822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL24.32751
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Afghaanse vreemdeling met Turkmeense etniciteit en de beoordeling van risico's bij terugkeer naar Afghanistan

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 9 oktober 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Afghaanse vreemdeling van Turkmeense afkomst, behandeld. Eiser had op 9 november 2022 een asielaanvraag ingediend, die op 16 november 2023 door de minister van Asiel en Migratie als ongegrond werd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat op 19 april 2024 door de rechtbank Amsterdam gegrond werd verklaard. In het bestreden besluit van 13 februari 2025 werd de asielaanvraag opnieuw afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing niet in stand kan blijven, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank wijst op het conflict met de Taliban en de specifieke omstandigheden van eiser, waaronder zijn Turkmeense etniciteit en zijn verwesterde levensstijl, die onvoldoende zijn meegewogen in de beoordeling. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag ten onrechte als ongegrond heeft afgewezen en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 1.814,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32751

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM [1] bij terugkeer naar Afghanistan. Verweerder heeft daarentegen niet geloofwaardig hoeven vinden dat eiser problemen heeft vanwege zijn politiek prominente vader. Verweerder heeft ook niet ambtshalve hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag op 16 november 2023 afgewezen als ongegrond. Het beroep dat eiser hiertegen heeft ingesteld, is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 19 april 2024 gegrond verklaard [2] . In het bestreden besluit van 13 februari 2025 naar aanleiding van deze uitspraak wijst verweerder de asielaanvraag van eiser wederom af als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Eiser is op driejarige leeftijd met zijn gezin geëmigreerd naar Saoedi-Arabië. Eiser heeft tot in 2017 in Jeddah in Saoedi-Arabië bij zijn familie gewoond en is toen, naar eigen zeggen, door de autoriteiten van Saoedi-Arabië naar Afghanistan gedeporteerd omdat hij meerderjarig werd en daardoor geen verblijfsrecht meer had. Nadat eiser is uitgezet heeft hij tot 2021 in zijn geboortedorp, [plaats] , verbleven. Hij verbleef bij zijn vriend, [naam 1] en zijn gezin. Na de komst van de Taliban heeft eiser (financiële) mogelijkheden gezocht om Afghanistan te verlaten. Om in het bezit van geld te komen, wilde eiser het huis van zijn vader verkopen. De huidige bewoner van dat huis wilde niet dat het verkocht werd. De huidige bewoner heeft daarom een bijeenkomst georganiseerd met vier dorpshoofden van de Taliban, om het geschil te bespreken. Nadat [naam 1] en zijn vader eiser hierover hadden geïnformeerd, is hem geadviseerd om niet aan deze bijeenkomst deel te nemen. Eiser heeft dit advies opgevolgd en is hierop vertrokken uit Afghanistan. Eiser vreest dat hij vermoord zal worden door de Taliban, omdat hij gedurende zijn verblijf in Afghanistan bij [naam 1] en zijn gezin heeft verbleven. Op grond van de Sharia is dit na mahram, en dus niet toegestaan. Eiser wordt in Afghanistan gediscrimineerd omdat hij de Turkmeense etniciteit heeft.
Het bestreden besluit
4. Verweerder stelt de volgende asielmotieven vast:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie vanwege etnische afkomst;
problemen met Taliban vanwege de na mahram;
bidden wanneer eiser tijd had en westerse kleding dragen;
de door eiser te verwachte problemen vanwege zijn politiek prominente vader.
4.1.
Verweerder acht asielmotieven 1, 2 en 4 geloofwaardig. Verweerder acht asielmotieven 3 en 5 niet geloofwaardig. Op grond van artikel 31 van de Vw dient een vreemdeling die vanuit het westen terugkeert naar Afghanistan aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij in de negatieve aandacht van de Taliban staat. Hier is eiser niet in geslaagd. De verklaringen van eiser over zijn vrees voor de Taliban berusten op vermoedens en aannames. Eiser en zijn vrienden hebben zelf geen problemen ondervonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de bijeenkomst over het huurconflict door de Taliban gezocht zou worden vanwege na mahram. Verder stelt verweerder dat eiser de familieband tussen hem en zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt.
4.2.
Verweerder acht de discriminatie vanwege de etnische (Turkmeense) afkomst van eiser geloofwaardig maar niet zwaarwegend. Niet is gebleken dat de discriminatie waar eiser mee te maken heeft gehad zo erg is dat hij wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden waardoor hij onmogelijk kan functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Ook het minder bidden en dragen van westerse kleding acht verweerder geloofwaardig maar niet zwaarwegend.
Heeft verweerder kunnen stellen dat eiser geen risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan?
5. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan. Hij loopt daar een reëel risico op ernstige schade, omdat hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Uit recente landeninformatie blijkt dat verwesterde Afghanen extra kwetsbaar zijn bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024 [3] . Hij voert aan dat, in tegenstelling tot de vreemdeling in die zaak, hij wel voldoet aan de verschillende kenmerken waardoor hij niet teruggestuurd kan worden naar Afghanistan. Verweerder gaat hier ten onrechte aan voorbij, en heeft deze kenmerken niet in onderlinge samenhang meegewogen maar afzonderlijk. Ook in dit verband had verweerder de geloofwaardig geachte discriminatie vanwege eisers Turkmeense afkomst moeten betrekken. Verweerder miskent dat het gedrag van eiser en zijn gebrekkige aanpassing aan de sociaal-culturele normen in Afghanistan risicofactoren zijn waardoor eiser als verwesterd gezien zal worden door de Taliban. Verder miskent verweerder dat eiser zijn geloof niet op de door de Taliban gewenste manier praktiseert. Bovendien heeft eiser gedurende zijn verblijf in Afghanistan grotendeels ondergedoken gezeten en heeft hij slechts twee maanden onder het regime van de Taliban geleefd.
Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser in de negatieve aandacht staat bij de vier dorpshoofden die betrokken zijn bij het huis van de vader van eiser, maar vindt het vervolgens niet geloofwaardig dat eiser in de negatieve aandacht van de Taliban staat terwijl de vier dorpshoofden bij de Taliban horen. Verweerder heeft zich bij dit oordeel niet gehouden aan de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2024, waarin reeds is geoordeeld dat deze conclusies zich niet met elkaar verhouden. Eiser heeft daarnaast in de huidige beroepsfase onder andere een overeenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij voetbalcoach is, een deelnameformulier van eiser als voetbalcoach, videobeelden van eiser op het voetbalveld en een krantenartikel uit het Parool over eiser als voetbalcoach.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het niet ongeloofwaardig heeft kunnen vinden dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Uit de uitspraak van de rechtbank zittingsplaats Amsterdam van 19 april 2024 volgt, zoals eiser ook heeft aangevoerd, dat de stelling van verweerder dat het geloofwaardig is dat eiser is gevlucht vanwege het conflict met de vier dorpshoofden waarbij de Taliban betrokken is, zich niet verhoudt tot het niet geloofwaardig vinden dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij de Taliban. Dat verweerder in het bestreden besluit stelt dat de vrees van eiser dat hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat berust op vermoedens en dat eiser niet vanwege na mahram beschuldigingen in de negatieve aandacht van de Taliban staat, miskent dat er andere omstandigheden kunnen zijn waardoor eiser in de negatieve aandacht van de Taliban zal staan bij terugkeer naar Afghanistan.
6.1.
Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 [4] volgt dat hoewel niet blijkt dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen alleen al vanwege verblijf in het Westen systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld, het risico hierop moet worden beoordeeld aan de hand van de reden van het vertrek uit Afghanistan, het profiel van de teruggekeerde Afghaan en het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten. In dit geval gaat het om eiser, die Turkmeens is en daarmee tot een etnische minderheid behoort in Afghanistan die te maken heeft met discriminatie. Eiser had een afwijkend bidpatroon en droeg westerse kleding. Daarnaast is eiser gevlucht vanwege een conflict waarbij vier dorpshoofden van de Taliban betrokken zijn en is dus sprake van een bestaand persoonlijk conflict, waarbij bovendien de Taliban zelf betrokken is. Eiser verblijft bovendien al geruime tijd in het Westen, sinds eind 2021. Eiser heeft ongeveer twee en een halve maand in Afghanistan onder het bewind van de Taliban verbleven. Deze kenmerken heeft verweerder onvoldoende in onderlinge samenhang betrokken bij zijn beoordeling of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan, door ze individueel te betrekken bij de beoordeling.
6.2.
De rechtbank kan eiser volgen in zijn stelling dat hij gedurende zijn verblijf in Nederland verder is verwesterd. Dit heeft hij onderbouwd met verschillende stukken, zoals een overeenkomst en deelnameformulier als voetbalcoach voor de Jeugd 2025/26 bij TOS-Actief, een voetbalcoachovereenkomst tussen eiser en csv DVVA, en het krantenartikel uit het Parool. Uit deze stukken blijkt dat eiser een zeer betrokken voetbalcoach is, voor zowel dames als kinderen, waaronder ook meisjes. Dit acht de rechtbank van belang, omdat dit openbare en vindbare informatie is. Zoals eiser heeft aangevoerd, zou dit niet toegestaan zijn in Afghanistan en kan het bijdragen aan het beeld dat eiser verwesterd is waardoor hij nog meer in de negatieve belangstelling van de Taliban komt te staan. Afgezien van de omstandigheid dat verweerder het niet geloofwaardig vindt dat eiser wordt beschuldigd van na mahram en daardoor bij de Taliban in de negatieve belangstelling staat, volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2024 en de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 dat de andere omstandigheden, zoals hierboven omschreven, in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dit niet gedaan. De rechtbank stelt daarom een motiveringsgebrek vast. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder de problemen vanwege de politiek prominente vader van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?
7. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft toegelicht waarom hij de documenten die eiser heeft overgelegd niet de waarde kan geven die eiser zou willen. Het is een speculatieve overweging van verweerder dat aangetoond zou moeten worden met openbare bronnen dat zijn vader, [naam 2] , een belangrijke rol zou hebben gespeeld bij het vorige regime en sterke banden zou hebben gehad met de heer [naam 3] , een prominente tegenhanger van de Taliban. Eiser heeft aangetoond dat zijn vader sterke banden had met deze politici, onder andere met foto’s waarop de vader van eiser de handen schudt van prominente politici van het vorige regime.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde problemen vanwege de politiek prominente vader ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser het verwantschap tussen hem en zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat er een brief ligt waarin iemand schrijft dat hij de vader van eiser is en de omstandigheid dat blijkens een foto eiser en zijn gestelde vader op elkaar lijken, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om verwantschap aan te tonen. Eiser heeft geen documenten overgelegd, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte, waar het verwantschap uit zou blijken. Afgezien hiervan is niet gebleken dat de vader van eiser politiek actief was. Hij was een zakenman en is meer dan twintig jaar geleden naar Saoedi-Arabië gevlucht vanwege discriminatie. Het is niet gebleken dat eiser bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan hierdoor gevaar zou lopen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM?
9. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 september 2025 [5] . In deze uitspraak is overwogen dat het wielrennen van belang was voor de identiteit van de vreemdeling en daarmee ook voor artikel 8 van het EVRM. In onderhavige zaak, voert eiser aan dat voetballen en het coachen van alle geslachten en leeftijden voor hem van cruciaal belang is voor zijn identiteit. Dit is verboden in Afghanistan, waardoor eiser zijn identiteit niet zou kunnen ontplooien.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Verweerder hoeft op grond van artikelen 3.6a en 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bij een opvolgende aanvraag niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook al begrijpt de rechtbank dat voetballen en het coachen hiervan belangrijk zijn voor eiser, heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom dit in zijn geval zou moeten leiden tot het afwijken van artikelen 3.6a en 6.1e van het Vb. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gelet op wat is overwogen in de rechtsoverwegingen 6, 6.1 en 6.2 gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard en omvang van het gebrek geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 9 oktober 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
2.NL23.36659 (niet gepubliceerd).
3.De Afdeling, 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648.
4.De Afdeling, 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4647.
5.De rechtbank, ECLI:NL:RBDHA:2025:17588, 15 september 2025.