ECLI:NL:RBDHA:2025:2081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
NL25.1204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden. Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege vermeende schendingen van haar rechten in Kroatië, onderbouwd met persoonlijke ervaringen en het AIDA-rapport 2023. De rechtbank volgt dit niet en bevestigt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals ook bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere uitspraken.

Verder stelde eiseres dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij haar aanvraag niet onverplicht aan zich trok op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, ondanks haar bijzondere kwetsbare positie als alleenstaande ouder met drie minderjarige kinderen. De rechtbank oordeelt dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd en dat de persoonlijke omstandigheden en medische klachten onvoldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de minister het besluit zorgvuldig heeft genomen en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1204
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige A] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige B] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige C], V-nummer [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 4 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar dochter [minderjarige C] , mr. F. Hoppenbrauwer als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, dhr. G. Ahmed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt
de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiseres aan dat de minister in zijn besluit erg formalistisch motiveert en de situatie van eiseres niet goed beoordeeld. Hierbij verwijst eiseres naar haar verklaring waarin zij vertelt over hoe de Kroatische autoriteiten haar en haar kinderen hebben vernederd, haar zoon van het gezin hebben gescheiden en haar kinderen angstklachten hebben overgehouden aan schoten van de Kroatische autoriteiten. Het was voor eiseres niet mogelijk hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten, omdat juist de Kroatische autoriteiten haar en haar kinderen op deze manier hebben behandeld. Deze verklaring wordt volgens eiseres ondersteund door het AIDA-rapport, update 2023. Op pagina 17 van dit rapport haalt zij aan "Reports of push backs and violant police practices at the border were documented in 2023.". Ook wordt op pagina 57 tot en met 60 van dit rapport geschreven dat er aan het begin van de asielprocedure geen "free legal assistance" is, dus geen gratis rechtsbijstand.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraak van 9 oktober 20242 en 10 december 20243. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Als eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, zal pas sprake zijn van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
8. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2023, niet voor een wezenlijk ander beeld zorgt. De verklaring van eiseres over de behandeling in Kroatië is onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Daarbij heeft de minister
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
terecht erop gewezen dat de eerdere ervaringen van eiseres na illegale grensoverschrijding niet aannemelijk maken dat zij straks als Dublinclaimant een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Verder heeft de minister terecht opgemerkt dat de Kroatische autoriteiten met het claimakkoord garanderen dat zij de asielaanvraag in behandeling nemen en zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. De minister heeft daarnaast terecht erop gewezen dat niet gebleken is dat eiseres bij voorkomende problemen niet kan klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiseres heeft verklaard dat zij niet heeft geprobeerd om te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Het is echter niet gebleken dat dit voor haar onmogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos is. Hiermee heeft de minister heeft het besluit voldoende zorgvuldig gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Ter zitting verklaart eiseres dat haar beroepschrift zich met name op artikel 17, eerste lid, van de Dvo richt. Eiseres stelt in haar beroepschrift dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken en dat zij als alleenstaande ouder met drie minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 20254. Het standpunt dat een eerdere slechte behandeling niet betrokken kan worden bij de beoordeling van bijzondere, individuele omstandigheden die de overdracht onevenredig hard maken wordt hier niet gevolgd. De minister had moeten motiveren waarom de ervaringen voor hem geen aanleiding waren om de asielaanvraag aan zich te trekken. Verder stelt eiseres dat haar kinderen psychische klachten ondervinden. Eiseres heeft geprobeerd om een afspraak te maken bij de huisarts voor haar kinderen vanwege hun klachten. Zij zijn op een wachtlijst gezet, maar hebben hier geen documenten of bewijs van gekregen.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen in ieder geval als er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. De minister heeft de persoonlijke ervaringen van eiseres en haar kinderen voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Daarbij is eiseres niet eerder als Dublinclaimant door Kroatië teruggenomen en kan zij dus niet vanuit persoonlijke ervaring spreken. Wat betreft de gestelde medische klachten van de kinderen heeft eiseres deze klachten niet onderbouwd met bijvoorbeeld medische documenten. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen
land is om eiseres of haar kinderen te behandelen. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op vertrouwen dat de Kroatische autoriteiten haar internationale verplichtingen zal nakomen en eiseres of haar kinderen - indien nodig - afdoende medische zorg zal verstrekken. Verder kan Kroatië – als eiseres daar toestemming voor geeft –worden ingelicht over eventuele bijzondere medische behoeften, verzorging of behandeling. Zoals hierboven al is overwogen, is het aan eiseres om bij voorkomende problemen te klagen bij de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.