Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[minderjarige B] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige C], V-nummer [V-nummer] ,
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden. Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege vermeende schendingen van haar rechten in Kroatië, onderbouwd met persoonlijke ervaringen en het AIDA-rapport 2023. De rechtbank volgt dit niet en bevestigt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals ook bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere uitspraken.
Verder stelde eiseres dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij haar aanvraag niet onverplicht aan zich trok op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, ondanks haar bijzondere kwetsbare positie als alleenstaande ouder met drie minderjarige kinderen. De rechtbank oordeelt dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd en dat de persoonlijke omstandigheden en medische klachten onvoldoende zijn onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat de minister het besluit zorgvuldig heeft genomen en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.