Eiseres, een Nigeriaanse derdelander met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, betwistte de beëindiging van haar tijdelijke bescherming en het opleggen van een terugkeerbesluit door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelde dat het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 een vervangend besluit was voor het eerdere besluit van 7 februari 2024, dat door verweerder was ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij onder de verplichte tijdelijke bescherming viel en dat de facultatieve bescherming terecht was beëindigd. Tevens werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was de Raad van de Europese Unie te raadplegen voor het beëindigen van de facultatieve bescherming. Persoonlijke belangenafwegingen en unierechtelijke beginselen stonden niet in de weg aan het terugkeerbesluit.
Ook het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.