ECLI:NL:RBDHA:2025:20715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL23.27119, NL23.27120 en NL24.14972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 8 EVRMRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit tijdelijke bescherming Oekraïense verblijfsvergunning

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg meerdere terugkeerbesluiten opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Na intrekking van eerdere besluiten, werd op 24 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit genomen, waarop eiser beroep instelde.

De rechtbank beoordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onder de verplichte tijdelijke bescherming viel, en bevestigde dat hij viel onder de facultatieve tijdelijke bescherming die door Nederland was beëindigd. De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming onrechtmatig was vanwege het ontbreken van EU-consensus en het niet betrekken van persoonlijke belangen.

Verder oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een schending van het recht op privéleven of het non-refoulementbeginsel. De beroepen tegen eerdere besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking en vervanging door het laatste besluit. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 is ongegrond verklaard en eerdere beroepen niet-ontvankelijk, met veroordeling van verweerder tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.27119, NL23.27120 en NL24.14972
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: J.G.R. Becker).

Inleiding

Waar gaat de zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit [2] .
1.1.
Op 18 augustus 2023 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL23.27119. Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om onder meer de rechtsgevolgen van het besluit te schorsen, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL23.27120. Verweerder heeft vervolgens het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken.
1.2.
Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.14972.
1.3.
Op 24 juli 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken [3] en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 24 juli 2025.
1.4.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft beide beroepen op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser), D.A. Ochieng als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vindt eiser?
2. Het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 is ten onrechte opgelegd, omdat de tijdelijke bescherming van eiser niet is beëindigd. Eiser valt niet onder de facultatieve bescherming van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, maar heeft recht op tijdelijke bescherming op grond van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Er ontbreekt namelijk consensus binnen de Europese Unie over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Dit blijkt volgens eiser uit de verschillende taalversies van dat artikel en uit de beleidspraktijk van de lidstaten. Dit is volgens eiser van invloed op de beoordeling van de evenredigheid en rechtsgelijkheid van het nationale terugkeerbeleid. Daarop voortbordurend stelt eiser dat verweerder blijkens artikel 28 van Pro de VEU [4] gehouden was zijn nationale standpunt binnen de Raad aan de orde te stellen voordat hij overging tot beëindiging van de tijdelijke bescherming en het opleggen van een terugkeerbesluit. Ook stelt eiser dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming getoetst had moeten worden aan Unierechtelijke rechtsbeginselen. Voor zover eiser daarnaast onder de facultatieve bescherming zou vallen, heeft verweerder ten onrechte de persoonlijke belangen van eiser niet in zijn besluitvorming betrokken. Het terugkeerbesluit is in strijd met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van Pro het Handvest [5] en artikel 8 van Pro het EVRM [6] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid
2.1.
Hoewel eiser apart beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, beschouwt de rechtbank de terugkeerbesluiten van 7 februari 2024 en 24 juli 2025 als vervangende besluiten van het terugkeerbesluit van 18 augustus 2023 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen in de procedure met het zaaknummer NL23.27119.
2.2.
Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 is gelet op het voorgaande ten overvloede ingediend. Dit betekent dat het beroep met zaaknummer NL24.14972 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2.3.
Nu verweerder de besluiten van 18 augustus 2023 en 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten. De rechtbank zal het beroep tegen deze besluiten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 9.
Opleggen terugkeerbesluit 24 juli 2025
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 terecht heeft opgelegd. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.1.
Ten aanzien van eisers standpunt dat hij onder artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit zou vallen, de tijdelijke bescherming voor eiser dus niet is beëindigd en daarom het terugkeerbesluit ten onrechte zou zijn opgelegd, overweegt de rechtbank dat eiser dit onvoldoende heeft onderbouwd. Met de enkele verwijzing naar de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit waarin het Hongaarse woord voor ‘permanent’ zou ontbreken, is onvoldoende onderbouwd dat artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet alleen zou zien op derdelanders met een permanente verblijfsvergunning maar ook op eiser die daar niet over beschikte en een tijdelijke verblijfsvergunning had. Ter zitting is door eiser bevestigd dat de overlegde vertaling van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit met google translate tot stand is gekomen, waardoor deze vertaling op zichzelf onvoldoende geschikt is om het standpunt van eiser te onderbouwen. Daar komt bij dat uit de Engelse, Duitse en Franse taalversies blijkt dat artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit wel ziet op derdelanders met een permanente verblijfsvergunning. De rechtbank vindt daarvoor bevestiging in het Uitvoeringsbesluit in de preambule, nrs. 12 en 13, waarbij uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen derdelanders met een permanente verblijfsvergunning die moéten worden beschermd (verplicht) en derdelanders die voor kortere tijd in Oekraïne verbleven die kúnnen worden beschermd (facultatief). Dat er zoals door eiser gesteld een inconsistentie in preambule 12 zit, ziet de rechtbank niet. Ook in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 wordt het onderscheid tussen artikel 2, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit nadrukkelijk benoemd. [7] Deze grond slaagt dus niet.
3.2.
De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dat eiser wel degelijk onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit valt en dat de tijdelijke bescherming voor eiser wel is beëindigd. Nederland heeft deze facultatieve bepaling toegepast door de tijdelijke bescherming uit te breiden tot staatlozen en derdelanders die in het bezit waren van een op 23 februari 2022 in Oekraïne geldige tijdelijke verblijfsvergunning, zonder te vereisen dat werd aangetoond dat deze personen niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van herkomst konden terugkeren. In tegenstelling tot wat eiser stelt, heeft verweerder niet de Raad in hoeven schakelen om de tijdelijke bescherming te beëindigen. In het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 is namelijk bepaald dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en hij de algemene beginselen van het Unierecht in acht neemt. Deze grond slaag ook niet.
3.3.
De rechtbank overweegt dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geen ruimte is voor een persoonlijke belangenafweging. De rechtbank volgt niet dat unierechtelijke beginselen (het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel) in de weg staan aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 [8] en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 28 maart 2024 [9] en 5 september 2025 [10] .
3.4.
Voor zover de gronden van eiser moeten worden opgevat als dat eiser over zijn persoonlijke omstandigheden had moeten worden gehoord, was daar voor verweerder gelet op het voorgaande geen aanleiding voor.
3.5.
De rechtbank heeft, omdat dit niet uitdrukkelijk is aangevoerd, ambtshalve onderzocht of de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan het opleggen van het terugkeerbesluit in de weg staan en komt met verweerder tot de conclusie dat dit niet het geval is. In de zienswijze en in de beroepsgronden is aangevoerd dat eiser privéleven heeft in verband met zijn werk en sociale banden heeft opgebouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat dit - nog afgezien van het feit dat dit niet is onderbouwd – onvoldoende is om in de weg te staan aan het opleggen van het terugkeerbesluit.
3.6.
Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 in de procedure met zaaknummer NL23.27119, is niet-ontvankelijk.
5. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 in de procedure met zaaknummer NL23.27119, is niet-ontvankelijk.
6. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 24 juli 2025 in de procedure met zaaknummer NL23.27119, is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure met zaaknummer NL23.27120 wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] .
8. Het beroep in de procedure met zaaknummer NL24.14972 is niet-ontvankelijk.
De proceskosten
9. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen gericht tegen de besluiten van 18 augustus 2023 en 7 februari 2024 het gevolg zijn van de intrekking van die besluiten, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Datzelfde geldt ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat het beroep tegen het beslduit van 18 augustus 2023 op zichzelf geen schorsende werking had. Deze kosten stelt de rechtbank/voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

NL23.27119
De rechtbank
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2025 ongegrond.
NL23.27120
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
NL24.14972
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Proceskosten in alle zaken
De rechtbank/voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
4.Verdrag betreffende de Europese Unie.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.ECLI:EU:C:2024:1038, rechtsoverwegingen 87 en 88.
8.ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.3.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.