Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg meerdere terugkeerbesluiten opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Na intrekking van eerdere besluiten, werd op 24 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit genomen, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank beoordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onder de verplichte tijdelijke bescherming viel, en bevestigde dat hij viel onder de facultatieve tijdelijke bescherming die door Nederland was beëindigd. De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming onrechtmatig was vanwege het ontbreken van EU-consensus en het niet betrekken van persoonlijke belangen.
Verder oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een schending van het recht op privéleven of het non-refoulementbeginsel. De beroepen tegen eerdere besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking en vervanging door het laatste besluit. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.