De zaak betreft een geschil tussen twee appartementseigenaren waarbij eiser [partij A] vordert dat gedaagde [partij B] het balkon boven zijn binnenplaats verwijdert. Het balkon is sinds 1988 aanwezig, maar niet opgenomen in de splitsingsakte. [partij B] stelt dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring, dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door [partij A] en dat [partij A] zijn recht heeft verwerkt.
De rechtbank oordeelt dat geen erfdienstbaarheid is ontstaan. Het balkon is geplaatst met toestemming van een rechtsvoorganger van [partij A], wat een persoonlijk recht of gedogen betreft, geen erfdienstbaarheid. Het bezit van een erfdienstbaarheid ontbreekt, mede omdat het gebruik niet ondubbelzinnig is en niet als rechthebbende wordt uitgeoefend. Het beroep op verjaring faalt.
Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid wordt verworpen. De rechtbank stelt dat het verwijderen van het balkon een gerechtvaardigd belang dient en dat de nadelen voor [partij B] inherent zijn aan de situatie. Het beroep op rechtsverwerking faalt eveneens wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank veroordeelt [partij B] tot verwijdering van het balkon uiterlijk bij overdracht van het appartement, legt een dwangsom op en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De tegenvorderingen van [partij B] worden afgewezen, waaronder de vorderingen tot erkenning erfdienstbaarheid, brandveiligheidserkenning, aanpassing gebruik en betaling verkoopschade.