ECLI:NL:RBDHA:2025:20694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.48236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 50a VwArt. 8 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende onderzoek naar lichter middel en onvoldoende motivering

Eiser werd op 25 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij had een vaste verblijfplaats bij zijn broer in Amsterdam en gaf aan mee te zullen werken aan zijn vertrek, ondanks dat hij niet vrijwillig wilde vertrekken. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen, omdat verweerder niet heeft onderzocht of met minder ingrijpende maatregelen kon worden volstaan. Ook is niet ingegaan op de vaste woon- en verblijfplaats van eiser en zijn medewerking.

De bewaring werd op 8 oktober 2025 opgeheven, waarna de rechtbank het beroep op 14 oktober 2025 behandelde. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €1.430,- voor 14 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.814,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De bewaring was onrechtmatig en eiser krijgt een schadevergoeding van €1.430,- toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48236
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

[V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 8 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder bij de ophouding toepassing had moeten geven aan artikel 50a van de Vw en dat hij daarom ten onrechte op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw is opgehouden. Hiervoor is redengevend dat niet is gebleken dat eiser op enig moment rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8,
aanhef en onder f tot en met h en m, van de Vw, wat als voorwaarde geldt voor toepassing van artikel 50a van de Vw.
3. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)
en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
4. De rechtbank constateert dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij vijf à zes maanden geleden naar Nederland is gekomen om zijn zoon, schoondochter en kleinkind te bezoeken, dat hij een vaste verblijfplaats heeft bij zijn broer op het adres [adres] te Amsterdam en dat hij hier als laminaatlegger 300 à 400 euro per dag verdiende totdat hij bij het aanvragen van een BSN-nummer voor identiteitsfraude werd aangehouden en daar vervolgens voor is veroordeeld. Verder heeft eiser tijdens het gehoor bij herhaling te kennen gegeven zijn verwijdering uit Nederland niet tegen te zullen werken.
5.1
Het opleggen van een bewaringsmaatregel is een sterk belastend besluit. Het gaat om een inbreuk op een van de fundamentele rechten van de mens, het recht om zich vrij te kunnen bewegen. Detentie is daarom ultimum remedium. Bewaring dient enkel te worden toegepast indien er geen andere alternatieven voorhanden lijken om het met de bewaring gediende doel te bereiken.
5.2
De vraag naar een alternatief dient verweerder onbevangen, nieuwsgierig en pro- actief tegemoet te treden. De start van dit onderzoek is veelal het gehoor voorafgaand aan de bewaring. De tijdens dat gehoor vergaarde feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven tot vervolgonderzoek. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
5.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met enkel de vragen die hij in het gehoor aan eiser heeft gesteld. Eiser heeft tijdens het gehoor immers met naam en toenaam een vaste woon- en verblijfplaats opgegeven en desgevraagd aangegeven dat hoewel hij niet uit Nederland wil vertrekken, hij wel aan zijn vertrek zal meewerken. Deze combinatie van factoren had bij verweerder aanleiding moeten zijn om nader te onderzoeken – te beginnen met het daarover nader bevragen van eiser – of in de vorm van nadere afspraken met een lichter middel kon worden volstaan. Dit klemt temeer nu eiser niet eerder met de vreemdelingenpolitie in aanraking is geweest en er dus geen track-record is dat met eiser in een situatie als deze geen afspraken gemaakt zouden kunnen worden.
5.4
De rechtbank merkt daarbij nog op dat het toepassen van een lichter middel altijd een vorm van onzekerheid met zich zal dragen. Niemand heeft een glazen bol. Hoe sneller verweerder evenwel het risico van deze onzekerheid in het nadeel van de vreemdeling laat
uitvallen, hoe groter de kans dat de onderzoeksplicht, en in het vervolg daarvan het gebod van detentie als ultimum remedium, is geschonden.
6.1
Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en het besluit daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.
6.2
Voorts is in het besluit onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Zo is verweerder in het besluit niet kenbaar ingegaan op het feit dat eiser een vaste woon- en verblijfplaats heeft en dat eiser heeft aangegeven mee te zullen werken als dat moet. Dit klemt te meer omdat in het besluit aan eiser ook niet is tegengeworpen dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 1 x € 130,-- (verblijf politiecel) en 13 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum)
= € 1.430,--.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.430,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 oktober 2025

Documentcode: DSR55676383

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.