ECLI:NL:RBDHA:2025:20443

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over de jaren 2006 en 2008 met boete- en rentebeschikkingen

In deze zaak gaat het om de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de Zorgverzekeringswet (ZVW) voor de jaren 2006 en 2008, alsook de daarbij opgelegde boete- en rentebeschikkingen. De rechtbank Den Haag heeft op 6 oktober 2025 uitspraak gedaan in deze enkelvoudige kamer. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. E.O.A. Koekkoek, heeft beroep ingesteld tegen de handhaving van de navorderingsaanslagen door de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur heeft de aanslagen opgelegd op basis van contante betalingen met onverklaarde herkomst, die zijn vastgesteld in een strafrechtelijk financieel onderzoek. Eiser heeft betoogd dat hij in de jaren 2006 en 2008 niet belastingplichtig was, omdat hij niet in Nederland woonde. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser in die jaren inwoner van Nederland was en dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De rechtbank heeft de opgelegde vergrijpboetes gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank heeft de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ongegrond verklaard, maar de boetebeschikkingen verminderd. Tevens is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/449, SGR 25/450, SGR 25/452 en SGR 25/453

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2025 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.O.A Koekkoek),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2006 (zaaknummer SGR 25/449 [1] ) en 2008 (zaaknummer SGR 25/452) navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarnaast heeft verweerder voor de jaren 2006 (zaaknummer SGR 25/450) en 2008 (zaaknummer SGR 25/453) navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen) en zijn vergrijpboeten opgelegd (de boetebeschikkingen).
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft, na daartoe door verweerder te zijn uitgenodigd, daaraan te zijn herinnerd en daartoe te zijn aangemaand, geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2006 gedaan. Verweerder heeft met dagtekening 9 januari 2009 ambtshalve de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 25.000. Op 16 februari 2009 heeft eiser alsnog een aangiftebiljet ingediend, naar een verzamelinkomen van nihil. Verweerder heeft die aangifte aangemerkt als bezwaarschrift, dat hij bij uitspraak van 20 december 2011 heeft afgewezen.
2. Eiser heeft op 13 juli 2010 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2008 naar een verzamelinkomen van nihil. Verweerder heeft met dagtekening van 21 januari 2011 de aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 opgelegd conform de aangifte.
3. Eiser is bij vonnis van 15 april 2009 door de strafkamer van de rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens de handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. Tegen eiser is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld, dat heeft geleid tot het rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 8 april 2011. Uit dit rapport volgt onder meer dat eiser in de periode van 1 januari 2001 tot en met 22 februari 2008 contante betalingen heeft gedaan tot een bedrag van € 277.731 waarvan de herkomst niet kan worden verklaard. Uit het rapport van vervolgonderzoek over de periode 28 februari 2008 tot en met 31 december 2008 blijkt dat eiser gedurende die periode contante betalingen met onverklaarde herkomst heeft gedaan van € 43.317.
4. Verweerder heeft het totaal van de in de onderzoeken naar wederrechtelijk verkregen voordeel geconstateerde contante betalingen van € 321.048 aangemerkt als niet door eiser in zijn aangiften IB/PVV verantwoord inkomen over de jaren 2001 tot en met 2008. Hij heeft dat totaal naar evenredigheid toegerekend aan die jaren, en heeft aldus per jaar € 45.864 in aanmerking genomen.
Verweerder heeft dienovereenkomstig op 31 december 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.864, resulterend in een na te vorderen bedrag aan IB/PVV van € 8.731. Bij deze navorderingsaanslag is een vergrijpboete van € 4.365 opgelegd en een bedrag van € 1.825 aan heffingsrente in rekening gebracht (zaaknummer SGR 25/449). Met gelijke dagtekening is een navorderingsaanslag ZVW 2006 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 220, waarbij hij € 41 aan heffingsrente in rekening heeft gebracht (zaaknummer SGR 25/450).
Met dagtekening van 17 maart 2012 heeft verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.864, resulterend in een na te vorderen bedrag aan IB/PVV van € 14.246. Daarbij heeft hij een vergrijpboete van € 7.123 opgelegd en € 1.689 aan heffingsrente in rekening gebracht (zaaknummer SGR 25/452). Met dagtekening 3 maart 2012 heeft verweerder een navorderingsaanslag ZVW 2008 (zaaknummer 25/453) opgelegd naar een te betalen bedrag aan bijdrage ZVW van € 1.592, en heeft daarbij € 187 aan heffingsrente in rekening gebracht.
5. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen en verdere beschikkingen bezwaar en vervolgens beroep aangetekend. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2020 het beroep gegrond verklaard op de grond dat eiser ten onrechte niet was gehoord en heeft de zaak teruggewezen naar verweerder. [2]
6. Nadat verweerder meermaals heeft gepoogd tot een afspraak voor een hoorgesprek te komen, heeft de gemachtigde van eiser telefonisch laten weten en vervolgens bij e-mail bevestigd dat van horen wordt afgezien.
7. Daarop heeft verweerder, bij uitspraak van 3 december 2024, de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2008 en de navorderingsaanslagen ZVW 2006 en 2008 met verdere beschikkingen afgewezen, waarvan eiser in beroep is gekomen.

Geschil

8.
In geschil zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over de jaren 2006 en 2008 en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen.
9. Het standpunt van eiser is dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2006 en 2008, de boete- en rentebeschikkingen ten onrechte zijn opgelegd. Hij stelt daartoe dat hij gedurende de desbetreffende jaren niet in Nederland belastingplichtig was. Tegen de boetebeschikkingen heeft hij daarnaast aangevoerd dat hem niet kan worden verweten de desbetreffende inkomsten niet voor de IB/PVV te hebben aangegeven, en voorts dat de boetes moeten worden verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2006 en 2008 terecht aan eiser zijn opgelegd. Hij acht de voor de opgelegde vergrijpboetes vereiste opzet bewezen. Op het punt van de overschrijding van de redelijke termijn refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling van het geschil
Hoorrecht
11. De gemachtigde van eiser heeft bij e-mail van 19 juli 2024 aan verweerder laten weten: “Hierbij bevestig ik dat een hoorgesprek niet meer gewenst is.” Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat eiser niet instemt met het afzien van het horen. De rechtbank gaat daaraan om de volgende redenen voorbij.
De gevolgen van de door de vertegenwoordiger verrichte handelingen zijn voor de vertegenwoordigde, ongeacht of hij daar uiteindelijk mee instemt. Nu eiser niet stelt dat de gemachtigde niet vertegenwoordigingsbevoegd was, vat de rechtbank diens verklaring ter zitting aldus op dat hij van het afzien van een hoorgesprek wenst terug te komen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is dat niet mogelijk nadat uitspraak op bezwaar is gedaan.
De navorderingsaanslagen
12. Eiser heeft niet betwist in de jaren 2006 en 2008 inkomsten te hebben gehad tot de door verweerder in aanmerking genomen bedragen. Het standpunt van eiser is dat deze inkomsten niet, althans niet geheel aan de Nederlandse inkomstenbelasting- en premieheffing onderworpen zijn.
13. Eiser stelt, ten eerste, dat hij in de jaren 2006 en 2008 niet belasting- en premieplichtig was om reden dat hij in die jaren niet in Nederland woonde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij naar voren gebracht dat hij tot medio 2008 niet over een verblijfstitel en niet over een BSN-nummer beschikte. In dit verband heeft hij gewezen op een pasje waarvan hij kopie heeft overgelegd. Uit dat pasje blijkt dat hij met ingang van 15 juni 2008 beschikt over een reguliere verblijfsvergunning voor de duur van 20 jaar.
14. De rechtbank stelt voorop dat uit het door eiser overgelegde pasje niets valt af te leiden over de verblijfsstatus van eiser van vóór 15 juni 2008. Reeds met het oog op het door verweerder overgelegde uittreksel uit de basisadministratie van de Gemeente Rotterdam is aannemelijk dat eiser vanaf in ieder geval 7 augustus 1997 over een verblijfstitel beschikte. Voorts heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat eiser in ieder geval niet later dan in 2003 een SoFi-nummer was toegekend.
Uit de stukken van het geding blijkt genoegzaam dat eiser in ieder geval in de periode 2000 tot en met 2008 zodanige activiteiten en sociale relaties in Nederland had, dat hij naar de maatstaf van artikel 4 Algemene wet rijksbelastingen (Awr) woonplaats in Nederland had. Eiser heeft, behalve ten aanzien van de in r.o. 15 hierna te bespreken periodes, niet gesteld waar hij dan wél zou hebben gewoond en ook niets aangevoerd dat kan wijzen op een woonplaats buiten Nederland.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was.
15. Eiser heeft aangevoerd, ten tweede, dat hij van 1 juni 2005 tot 28 maart 2006 en van 12 september tot 9 oktober 2008 uitgeschreven was, met vermelding in de gemeentelijke basisadministratie van Teheran als de plaats van zijn verblijf gedurende die perioden.
Voor zover eiser daarmee betoogt dat hij gedurende die perioden niet in Nederland woonachtig was, volgt de rechtbank hem daarin niet. Het verblijf gedurende zodanige perioden buiten Nederland kan niet op zichzelf genomen eraan kan afdoen dat hij zijn woonplaats hier ten lande had. Van feiten die dat anders kunnen doen zijn, is niet gebleken.
Voor zover eiser wil betogen dat het inkomen naar evenredigheid moet worden toegerekend aan de door hem gestelde perioden van verblijf in Teheran en in zoverre (alleen) daar belast zou zijn, gaat hij eraan voorbij dat de grondslag voor de belasting- en premieheffing het wereldinkomen is.
16. Uit hetgeen hiervoor volgt dat de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW ongegrond moet worden verklaard.
De vergrijpboeten
17. Verweerder heeft vergrijpboeten opgelegd ter hoogte van 50% van de navorderde belasting op de grond dat het aan de opzet van eiser is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2006 en 2008 tot te lage bedragen waren vastgesteld (artikel 67e van de Awr).
Tot bewijs van de door hem gestelde opzet heeft verweerder aangevoerd dat eiser in ieder geval vanaf het belastingjaar 2002 met de door hem in te vullen aangiften de vraag naar het inkomen kreeg voorgelegd en dat het – mede gezien de omvang ervan – niet anders kan zijn dan dat eiser zich ervan bewust was dat hij het door hem behaalde inkomen in zijn aangifte diende te verantwoorden.
18. Het standpunt van eiser is dat hem op grond van zijn verblijfstatus niet was toegestaan in Nederland te werken en dat hij meende dat van in strijd met die voorwaarde of anderszins illegaal verkregen inkomen geen aangifte behoefte te worden gedaan.
19. De rechtbank acht bewezen dat het aan de (al dan niet voorwaardelijke) opzet van eiser is te wijten dat de primitieve aanslagen tot te lage bedragen waren vastgesteld. Zij overweegt daarover als volgt.
Blijkens het rapport ‘wederrechtelijk verkregen voordeel’ is eiser op veertienjarige leeftijd met zijn ouders als vluchteling naar Nederland gekomen. Uit de daarin beschreven activiteiten en sociale betrekkingen van eiser heeft hij in de daarop volgende jaren zijn weg in de Nederlandse samenleving gevonden. Tegen die achtergrond laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet denken dat het eiser kan zijn ontgaan dat in Nederland ieder inkomen, ongeacht de aard ervan, aan de heffing van belasting is onderworpen. In ieder geval kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat eiser zich op zijn minst bewust was van de aanmerkelijke kans onjuist aangifte te doen door het door hem behaalde inkomen niet te verantwoorden en dat hij die kans ook voor het geval dat zij zich zou verwezenlijken heeft aanvaard.
Voor zover eiser bedoelt te stellen dat hij meende dat in Nederland illegaal verkregen inkomen niet belast is, gaat de rechtbank daar dan ook als ongeloofwaardig aan voorbij. Voor zover eiser met zijn standpunt bedoelt een beroep te doen op het beginsel van
nemo teneturfaalt het nu dat beginsel niet afdoet aan de gehoudenheid tot het doen van aangifte, ook niet indien de belastingplichtige door aan die verplichting te voldoen mogelijk de verdenking op zich laat een strafbaar feit te hebben gepleegd. [3]
20. De rechtbank acht vergrijpboeten van 50% van de nagevorderde belasting bij de omstandigheden van het geval op zichzelf genomen passend en geboden.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat gelet op de duur van de procedure de boeten gematigd dienen te worden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn wat betreft de boeten is aangevangen met de brief van verweerder van 27 november 2011 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, 13 jaar en ruim 10 maanden zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn voor berechting dan 2 jaar rechtvaardigen is niet gebleken. De redelijke termijn is dan ook met ruim 11 jaar en 10 maanden overschreden. De rechtbank ziet in die overschrijding aanleiding de boete, conform de door Gerechtshof Amsterdam [4] geformuleerde uitgangspunten, te matigen met 20%. Dat betekent dat de vergrijpboete voor het jaar 2006 moet worden verminderd met (20% van € 4.365 =) € 873 tot een bedrag van € 3.492. De vergrijpboete voor het jaar 2008 moet worden verminderd met (20% van € 7.123=) € 1.424,60 tot een bedrag van (afgerond) € 5.698.
21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moeten de beroepen voor zover zij zijn gericht tegen de boetebeschikkingen gegrond worden verklaard.
Rentebeschikkingen
22. Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de rentebeschikkingen in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht zijn opgelegd dan wel dat de rentebedragen in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen zijn vastgesteld.
23. Gelet op het voorgaande volgen de beroepen tegen de rentebeschikkingen het lot van die tegen de navorderingsaanslagen en moeten zij ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die zij bepaalt op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien de beroepen SGR 25/449 en SGR 25/452 alleen gegrond zijn wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn en gemachtigde hierop eerst ter zitting een beroep heeft gedaan, kent de rechtbank alleen een punt toe voor het verschijnen ter zitting en hanteert zij daarbij een wegingsfactor van 0,25. Omdat maar in twee van de zaken een boetebeschikking aan de orde is, wordt niet toegekomen aan een factor voor samenhangende zaken. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten aldus vast op € 226,75 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen SGR 25/450 en SGR 25/453 ongegrond;
  • verklaart de beroepen SGR 25/449 en SGR 25/452 gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de opgelegde vergrijpboeten;
  • vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 (SGR 25/449) tot € 3.492;
  • vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (SGR 25/452) tot € 5.698;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 226,75;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.In zaak SGR 25/449 is € 53 aan griffierecht geheven. In de zaken SGR 25/450, SGR 25/452 en SGR 25/453 is geen griffierecht geheven.
2.Rechtbank Den Haag 19 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:13731.
3.Zie bijv. HR 11 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AW5744 en HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337.
4.Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.