Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verblijft sinds 1999 in Nederland en heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk. Deze aanvraag werd afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en omdat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, mede vanwege zijn strafrechtelijke verleden met meerdere veroordelingen voor ernstige delicten.
De rechtbank erkent dat eiser een privéleven in Nederland heeft opgebouwd, maar oordeelt dat de maatschappelijke betrokkenheid en vrijwilligerswerk van eiser niet uitzonderlijk zijn en niet de gebruikelijke banden met Nederland overstijgen. Ook de belangenafweging tussen de Nederlandse staat en eiser valt in het nadeel van eiser uit, mede door zijn criminele verleden en het feit dat hij geen vrijstelling van het mvv-vereiste krijgt.
Verder concludeert de rechtbank dat de afwijzing op grond van de openbare orde gerechtvaardigd is, omdat eiser meerdere keren is veroordeeld voor onder meer drugsdelicten en witwassen, wat een gevaar voor de samenleving vormt. Het beroep op jurisprudentie over het Unierechtelijk openbare orde criterium faalt omdat hier uitsluitend nationaal recht van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure is overschreden vanwege capaciteitsproblemen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waardoor eiser een schadevergoeding van € 1.000,- wordt toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.