AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond tegen afwijzing aanvraag verblijfsvergunning ouder op grond van artikel 8 EVRM
Eiseres, een Syrische vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRMPro via haar meerderjarige zoon (referent) voor gezinshereniging. Verweerder wees de aanvraag af met het argument dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (bijkomende elementen van afhankelijkheid, beva) tussen eiseres en referent, mede omdat zij al 12 jaar niet meer samenwoonden en de hulp op afstand kon worden verleend.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich niet heeft gehouden aan een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat verweerder onvoldoende rekening hield met de onvrijwillige verbreking van de samenwoning, de financiële en praktische afhankelijkheid, de mentale en fysieke situatie van eiseres en de problematiek van hulpverlening in Syrië. Verweerder heeft de omstandigheden niet integraal en samenhangend beoordeeld en vertoonde motiveringsgebreken.
De rechtbank benadrukt dat familie- en gezinsleven ook op afstand kan ontstaan en dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de hulp op afstand toereikend zou zijn. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de verslechterende gezondheid van eiseres, haar afhankelijkheid van familie, en de problematische situatie in Syrië. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn en griffier L. Meijer op 24 september 2025 te Haarlem.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38064
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van een vluchteling om zijn moeder uit Syrië naar Nederland te laten komen in het kader van gezinshereniging. Dit betreft een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 vanPro het EVRM [1] . Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres is het niet eens met die afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Verweerder heeft zich niet gehouden aan een eerdere uitspraak van de rechtbank. Hij heeft ten onrechte als uitgangspunt gehanteerd dat familie- en gezinsleven niet op afstand kan ontstaan. Ook heeft verweerder onvoldoende of niet duidelijk rekening gehouden met de onvrijwillige verbreking van de samenwoning tussen eiseres en referent in 2012 en die van een broer van referent met eiseres in 2015; dat sprake lijkt van financiële afhankelijkheid en praktische afhankelijkheid, als ook van afhankelijkheid vanwege de mentale en fysieke situatie van eiseres; dat er volgens referent grote problemen zijn bij de verstrekking van hulp in Syrië aan eiseres en dat hij alle omstandigheden in samenhang met elkaar moet beoordelen.
1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres is geboren op [datum 1] 1948 en heeft de Syrische nationaliteit. Namens eiseres is eerder op 3 november 2015 door een dochter van eiseres, [naam 1] , een mvv [2] aangevraagd in het kader van nareis. In het besluit van 10 maart 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet behoorde tot de groep van personen welke op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw [3] een afgeleide verblijfsvergunning kunnen krijgen.
2.1.
Op 7 september 2016 heeft een zoon van eiseres, [naam 2] , namens haar een mvv met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd. In het besluit van 12 september 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. In het besluit van 4 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Op 30 mei 2018 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In de uitspraak van 31 augustus 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond verklaard. [4]
2.2.
Op 23 oktober 2020 heeft een andere zoon van eiseres, [referent] (referent), onderhavige aanvraag ingediend. Referent is geboren op [datum 2] 1983 en is in het besluit van 24 februari 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.3.
Verweerder heeft deze aanvraag in het besluit van 19 februari 2021 afgewezen. In het besluit van 18 januari 2022 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen dat besluit op 1 augustus 2023 [5] gegrond verklaard en zelf in de zaak voorzien. In hoger beroep is de uitspraak gedeeltelijk vernietigd voor zover de rechtbank verweerder heeft opgedragen een mvv te verlenen en voor het overige in stand gelaten. Dat betekent dat verweerder een nieuw besluit moest nemen.
2.4.
Verweerder heeft op 3 september 2024 het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres voorliggend beroep ingesteld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en zijn broer en zus. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Verweerder meent dat er geen sprake is familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM tussen eiseres en referent, omdat tussen beiden geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verweerder heeft daarbij de aspecten samenwoning, de materiële, emotionele en financiële afhankelijkheid, de medische situatie en de banden met Syrië en Nederland betrokken. Eiseres en referent hebben tot zijn vertrek samengewoond, maar niet is gebleken dat eiseres toen dusdanig van referent afhankelijk was dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het is volgens verweerder moeilijk denkbaar dat deze afhankelijkheidsrelatie op afstand ontstaat. Inmiddels wonen eiseres en referent al 12 jaar niet meer samen. Referent heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geld overmaakt naar zijn moeder en dat er een financiële afhankelijkheid bestaat. De overgelegde verklaringen zijn niet objectief verifieerbaar. Als wel wordt uitgegaan van de verklaringen dan kan de financiële ondersteuning ook op afstand worden voortgezet. Volgens verweerder staat vast dat eiseres medische problemen heeft en dat zij medische zorg, hulp bij de dagelijkse taken en sociale steun van familie nodig heeft. Niet is gebleken dat eiseres van referent in het bijzonder afhankelijk is en dat deze steun niet op afstand kan worden gegeven. Eiseres krijgt namelijk hulp en zorg van buren en vrienden. Daarbij is volgens verweerder niet gebleken dat eiseres voor de vlucht van referent al afhankelijk van hem was. De praktische steun bij het maken van afspraken, het regelen van hulpverleners en vervoer kan op afstand worden voortgezet. De behoefte van referent om eiseres te helpen en te steunen is begrijpelijk, maar duidt op een gewone relatie tussen ouders en kinderen en kan ook door anderen of op afstand worden gegeven. Eiseres heeft verder een sterke band met Syrië en is ondanks de veiligheidssituatie in Syrië er in geslaagd om mensen in te schakelen voor hulp.
Het toetsingskader
4. Familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM tussen meerderjarigen wordt aangenomen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) spreekt in dit kader van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ (beva) die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de vraag of daarvan sprake is moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder of iemand vanwege zijn medische toestand afhankelijk is van het familielid.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of familie- en gezinsleven bestaat op grond van beva volledig toetst. De uitkomst van deze beoordeling of beva bestaan, toetst zij enigszins terughoudend. [6] Verweerder moet een op het geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de door die vreemdeling gestelde beva bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de band met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen. Verweerder mag ook het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief van referent afhankelijk is als onderdeel bij haar beoordeling betrekken. Voor het aannemen van beva is het niet vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder referent niet zelfstandig kan functioneren. [7]
Standpunten eiseres
5. Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit het eerder geconstateerde motiveringsgebrek opnieuw niet heeft hersteld. Verweerder heeft elke factor op zichzelf maar niet in samenhang gewogen. Verweerder lijkt nog steeds niet te onderkennen dat voor elke relevante factor sprake kan zijn van verschillende gradaties van afhankelijkheid in plaats van een alles of niet situatie.
5.1.
Verder lijkt verweerder als er sprake is van een bepaalde mate van afhankelijkheid, zoals de zorgbehoefte van eiseres, dit vervolgens weg te schrijven met de stelling dat de hulp en ondersteuning ook op afstand kan plaatsvinden. Verweerder dient pas bij de belangenafweging te betrekken of de steun aan eiseres op afstand kan worden gegeven. Verder is bij de beoordeling niet van doorslaggevend belang of eiseres voor de medische zorg, hulp bij de dagelijkse taken en sociale steun in het bijzonder of exclusief van referent afhankelijk is. Eiseres is vanwege haar depressie en angststoornis juist wel van haar familie - en daarmee van referent - afhankelijk. Verweerder heeft, door te stellen dat niet valt in te zien waarom eiseres in Syrië zelf geen contact opneemt met personen die haar daar kunnen helpen, miskend dat zij een ongeschoolde zeventiger is met ernstige psychische en lichamelijke klachten, woonachtig in een door oorlog geteisterd land. Tijdens de hoorzitting hebben de kinderen verklaard dat het hen de grootste moeite kost om hulp te regelen, terwijl zij wel geschoold zijn en weten hoe zij zorg moeten realiseren. Eiseres kan zich vanwege haar lichamelijk en psychische klachten niet zelfstandig staande houden en verweerder heeft niet onderkend dat buren en andere personen uit het netwerk geen enkele zorgplicht hebben richting eiseres. Referent heeft op de hoorzitting ook aangegeven dat hij mensen moet smeken om eiseres te helpen. Verder heeft verweerder de beoordeling of er reële alternatieven bestaan de jurisprudentie onjuist toegepast. Uit de Afdelingsuitspraak van 2 februari 2022 [8] en IB 2022/19 volgt dat het gaat om de vraag of de zorg door andere familieleden kan worden gedragen zonder tussenkomst van referent. Ook is de zorg die eiseres nodig heeft niet alleen praktisch, maar psychisch van aard. Eiseres kan zich dankzij de op afstand geboden hulp door referent en zijn broer en zus staande houden. Verweerder dient te beoordelen in hoeverre eiseres deze hulp nodig heeft om een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Eiseres kan niet zelfstandig in Syrië functioneren.
5.2.
Verweerder heeft miskend dat er ook voor het vertrek van referent en zijn broer en zus sprake was van lichamelijke klachten bij eiseres. Bij verschillende nareisaanvragen is ook aangegeven dat voor eiseres werd gezorgd. Verder is het peilmoment (het vertrek 2012) niet van belang, omdat voorliggende aanvraag geen nareisaanvraag betreft, maar een reguliere 8 EVRM aanvraag waarbij verweerder rekening moet houden met alle actuele persoonlijke feiten en omstandigheden.
5.3.
Bij de beoordeling van de financiële afhankelijkheid is nog steeds sprake van excessief formalisme. Referent heeft in de brief van 20 oktober 2022 zeven schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die stellen dat zij geld hebben ontvangen van referent en dat zij ervoor hebben gezorgd dat dit geld bij eiseres terecht is gekomen. Referent heeft niet meer kunnen doen om dit aan te tonen. Over de nieuwe tegenwerping dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen pensioen of uitkering ontvangt vraagt referent zich af hoe dit kan worden onderbouwd gelet op de situatie in Syrië. Eiseres is analfabeet en een vrouw op leeftijd. De stelling van verweerder dat de financiële steun op afstand kan worden voortgezet hoort verder thuis in de belangenafweging.
5.4.
Objectief kan worden vastgesteld dat eiseres zich in een zeer eenzame, onzekere en humanitair zeer slechte situatie bevindt. Referent en zijn familieleden kunnen niet op bezoek bij eiseres en zij hebben elkaar meer dan 10 jaar niet kunnen zien. Eiseres heeft niet betoogd dat vanwege de veiligheidssituatie sprake is van beva, maar verweerder dient wel alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te betrekken.
Heeft verweerder de door eiseres aangevoerde omstandigheden alsnog afzonderlijk en in samenhang deugdelijk beoordeeld?
6. In 2021 en 2022 had verweerder de aanvraag van referent namens eiseres en het daartegen ingestelde bezwaar ook al afgewezen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 1 augustus 2023 [9] hierover geoordeeld dat verweerder niet kenbaar heeft gemotiveerd hoe de door eiseres aangevoerde omstandigheden in samenhang zijn beoordeeld. In hoger beroep is deze overweging uit de uitspraak van de rechtbank bevestigd [10] . De rechtbank acht verweerder hieraan gebonden. De rechtbank acht verweerder daarnaast gebonden aan de overige overwegingen van de rechtbank, aangezien en voor zover die door de Afdeling in stand zijn gelaten. Deze overwegingen betreffen de verschillende in aanmerking te nemen factoren: de samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid en de materiële praktische afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich ten onrechte niet heeft gehouden aan de eerdere uitspraak van de rechtbank voor zover deze in hoger beroep is bevestigd. Verweerder heeft opnieuw niet alle door eiseres aangevoerde omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld. Verweerder herhaalt in het bestreden besluit de verschillende factoren en concludeert dat er geen sprake is van beva. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling van de beva heeft nagelaten alle aangevoerde omstandigheden deugdelijk en kenbaar gemotiveerd per factor afzonderlijk en in onderlinge samenhang te betrekken. Uit de conclusie van verweerder blijkt verder ook niet welke waarde verweerder aan de afzonderlijke factoren hecht. In het kader van de samenhangende beoordeling had verweerder dit wel moeten doen.
6.2.
Hierna wordt ingegaan op de inhoudelijke gebreken in de besluitvorming van verweerder. Deze staan naast de vaststelling dat er geen sprake is van een kenbare beoordeling van alle omstandigheden in samenhang met elkaar.
Ontstaan familieleven op afstand
7. De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit opnieuw staat geschreven dat moeilijk denkbaar is dat beva op afstand ontstaan. De rechtbank had in de eerdere uitspraak op een dergelijke passage kritiek geuit in r.o. 4.6, ertoe strekkend dat wel aannemelijk kan zijn dat beva op afstand ontstaat en dat leidend is de situatie ten tijde van de besluitvorming. Er is nu dus opnieuw een motiveringsgebrek. Dat in het verweerschrift op het bestreden besluit een nuance is aangebracht, inhoudende dat dit inderdaad wel mogelijk kan zijn maar nog niet is voorgekomen in de jurisprudentie van het EHRM, doet daaraan niet af. Het bestreden besluit wijst er immers op dat het uitgangspunt van verweerder is dat hiervan geen sprake kan zijn. Dit is een onjuist uitgangspunt. Daarbij is ook relevant dat referent consequent heeft gesteld dat de situatie van eiseres steeds verder achteruit gaat vanwege haar verslechterende gezondheidstoestand en de continuering van de onstabiele situatie in Syrië. Indien dit juist is zou dat tot het ontstaan van beva op afstand kunnen leiden. Verweerder heeft dit niet betrokken bij zijn beoordeling.
De factor samenwoning
8. De rechtbank overweegt over de factor samenwoning het volgende. In het bestreden besluit is er rekening mee gehouden dat eiseres tot 2012 met referent samenwoonde. Dit is in overeenstemming met r.o. 4.3 van de eerdere uitspraak. Daarin oordeelde de rechtbank dat alleen in het besluit stond dat referent in 2012 was vertrokken en eiseres zich sindsdien staande heeft kunnen houden. Ondeugdelijk was betrokken dat referent dus wel tot 2012 met eiseres had samengewoond waarna hij noodgedwongen heeft moeten vluchten, aldus de rechtbank. Er is echter in het bestreden besluit opnieuw niet kenbaar rekening gehouden met het feit dat de samenwoning tussen eiseres en referent op onvrijwillige basis is beëindigd. Het enkele vermeldendat sprake is geweest van onvrijwillige scheiding is niet genoeg. Het betekent immers dat in meerdere mate met de factor samenwoning rekening moet worden gehouden voor de vraag of sprake is van beva, dus dat de factor samenwoning meer gewicht moet krijgen. Of en zo ja hoe verweerder dit heeft gedaan is onduidelijk. Ook dit is een motiveringsgebrek.
8.1.
Verder constateert de rechtbank dat in het verweerschrift is opgenomen dat eiseres na 2012 nog langere tijd alleen heeft gewoond terwijl nog een zoon en dochter in Syrië waren. Dat betekent volgens verweerder dat de aanwezigheid van referent of zijn broers/zussen niet noodzakelijk was. De rechtbank begrijpt uit het dossier en het ter zitting gestelde echter dat weliswaar een dochter nog enige tijd na 2012 in Syrië heeft gewoond met haar echtgenoot, dus niet bij eiseres, maar dat een zoon ( [naam 2] ) tot 2015 bij eiseres heeft gewoond tot zíjn onvrijwillige vertrek. Deze feiten weerspreken dat eiseres na 2012 zelfstandig heeft gewoond zonder fysieke aanwezigheid van haar kinderen (zie ook hierna bij praktische afhankelijkheid).
De factor financiële afhankelijkheid
9. De rechtbank overweegt over de mate van financiële afhankelijkheid het volgende. In het bestreden besluit is overwogen dat niet aannemelijk is dat daadwerkelijk financiële afhankelijkheid bestaat, ondanks de ingebrachte verklaringen en transactiebewijzen. De rechtbank begrijpt dat verweerder opnieuw primair stelt dat er onvoldoende bewijs is van financiële ondersteuning. In de vorige uitspraak (r.o. 4.4) is overwogen dat op dit punt sprake is van excessief formalisme, dat niet duidelijk is waarom niet is aangetoond dat sprake is van financiële ondersteuning en dat onvoldoende gebleken is dat rekening is gehouden met de gestelde moeilijkheden om geld naar Syrië te sturen en het feit dat referent het geld zelf niet kan ophalen. Verweerder heeft nu opnieuw hier onvoldoende rekening mee gehouden. Daarbij is relevant dat eiseres oud, gebrekkig en analfabeet is. Ter zitting is ook onbestreden gesteld dat zij geen toegang heeft tot een bankrekening. In het besluit staat dat de afschriften van WesterUnion niet ten name van referent zijn gesteld. De feiten betekenen echter dat betalingsbewijzen ten name van eiseres gewoonweg niet haalbaar zijn. Ook staat in het besluit dat de verklaringen onvoldoende zijn omdat zij niet objectief verifieerbaar zijn, aangezien zij op verzoek zijn opgesteld. Verder is er volgens verweerder geen bewijs dat de verklaringen kloppen omdat er geen bewijs is dat de betreffende personen daadwerkelijk naar Syrië zijn gereisd en het geld hebben overgedragen. Dat de verklaringen op verzoek zijn opgesteld is echter onvoldoende om te dragen dat zij niet objectief verifieerbaar zijn. Rekening houdend met de gestelde moeilijkheden om geld naar Syrië te brengen is verder niet redelijk dat verweerder geen waarde hecht aan die verklaringen. Het is aan verweerder om aanvullend te motiveren dat zijn primaire standpunt juist is.
9.1.
Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, uitgaande van de gestelde moeilijkheden in Syrië, de persoonlijke omstandigheden van eiseres en de verklaringen, deze ondersteuning succesvol is gebleken en dus op afstand kan worden gecontinueerd. Naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk in welke mate verweerder gewicht toekent aan deze laatst genoemde omstandigheid. Dit standpunt wijst er immers op dat sprake is van financiële afhankelijkheid, hetgeen in belangrijke mate zou moeten bijdragen aan het aannemen van beva tussen eiseres en referent. Als deze steun op afstand kan worden gecontinueerd, betekent het nog niet dat deze afhankelijkheid van eiseres aan referent minder sterk is. Het negatieve gewicht dat eiser toekent aan de omstandigheid dat steun op afstand kan worden gecontinueerd is beter op zijn plaats in het kader van de belangenafweging volgend op de vaststelling van familie- en gezinsleven.
9.2.
In het besluit is verder gesteld dat er geen bewijs is dat eiseres geen eigen inkomsten heeft, zoals pensioen. In het verweerschrift is aanvullend gesteld dat uit bepaalde landeninformatie blijkt dat nabestaandenpensioen bestaat in Syrië. De rechtbank begrijpt dat verweerder stelt dat eiseres mogelijk andere inkomsten heeft. Het is echter voor een ieder bijna onmogelijk om bewijs te leveren van een standpunt dat iets niet het geval is. Daarbij is ter zitting op geloofwaardige wijze gesteld dat eiseres geen pensioen ontvangt. Op doorvragen hierover is verklaard dat de voormalige echtgenoot van eiseres alleen cash salaris kreeg. Ook lijken de gestelde eigen inkomsten van eiseres eerder in deze of de andere procedures over haar niet aan de orde zijn geweest. Dit standpunt behoeft dan ook, gezien de weerspreking door eiseres, een andere toelichting van verweerder.
De factoren praktische afhankelijkheid en de gezondheid van eiseres
10. De rechtbank overweegt over de praktische afhankelijkheid het volgende. Eiseres is volgens het besluit sinds 2012, met hulp van buren en derden, in staat geweest zelfstandig te functioneren. Dat is dus zonder fysieke aanwezigheid van referent of zijn broers
en zussen. Dit in combinatie met de aansturing vanuit Nederland van die hulp wijst erop dat verweerder op zich wel erkent dat sprake is van praktische afhankelijkheid van eiseres van referent of zijn broers en zussen. De opmerking in het besluit dat hulp via de telefoon kan worden geregeld, als ook die in het verweerschrift dat er slechts hulp nodig is bij lichte zorgtaken, wijzen hier ook op. Het is ook in overeenstemming met hetgeen in de eerdere uitspraak, r.o. 4.3, laatste zin, en r.o. 4.6, is opgenomen en is een factor die het bestaan van beva tussen eiseres en referent ondersteunt.
10.1.
Volgens verweerder kan deze hulp echter op afstand worden gecontinueerd. Hiervoor gaat hetzelfde op als hiervoor is opgenomen over de financiële hulp: dit argument is beter thuis bij een volgende belangenafweging. Verweerder dient daarnaast nader te onderbouwen in welke mate gewicht wordt toegekend aan de kennelijk bestaande praktische afhankelijkheidsrelatie. Verder is niet duidelijk hoe het standpunt van verweerder dat de hulp of afstand kan worden gecontinueerd zich verhoudt tot de problemen die referent stelt te zijn tegengekomen bij zijn pogingen om geld of hulp voor eiseres te regelen op afstand. Hoe dergelijke hulp zou kunnen worden uitgebreid is onduidelijk.
10.2.
Relevant in dit verband is de gezondheid van eiseres. Daarover het volgende. In het bestreden besluit staat dat is gebleken van medische problemen bij eiseres. Uit het dossier blijkt dat eiseres oud is (78 jaar), fysieke gebreken heeft (diabetes, hartpatiënt) en mentale problemen (angsten en depressie). Uit het gehoor blijkt ook dat zij slecht kan horen, aan huis gebonden is en vergeetachtig is. Het is goed te volgen dat verweerder in het besluit daaraan de conclusie heeft verbonden dat eiseres medische zorg, hulp bij dagelijkse taken en steun van familie nodig heeft. Dit is ook in overeenstemming met r.o. 4.5 van de eerdere uitspraak, waarin is vastgesteld dat eiseres vanwege haar psychische klachten steun nodig heeft van haar familieleden. Verweerder dient nader te onderbouwen in welke mate gewicht wordt toegekend aan de kennelijk vanwege eiseres’ mentale en fysieke gezondheidstoestand bestaande afhankelijkheid.
10.3.
In het bestreden besluit staat dat er reële alternatieven zijn voor de hulp die eiseres nodig heeft, zoals buren en vrienden, of ngo’s en liefdadigheidsinstellingen, en dat eiseres zelf in staat is tot communicatie en dus ook zelf hulp kan regelen. Dit miskent dat, zoals verweerder heeft erkend, eiseres hulpbehoevend is, referent en zijn broers/zussen de werkelijk gegeven hulp in Syrië moeten aansturen en dat daarbij problemen bestaan vanwege de situatie in Syrië en die van eiseres. Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld dat geen sprake is van exclusieve afhankelijkheid, mag hij daaraan geen doorslaggevend gewicht toekennen. Verweerder had hier verder op zijn minst landeninformatie over moeten inbrengen.
De factor banden met Syrië
11. De rechtbank overweegt over de banden met het land van herkomst het volgende. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de banden van eiseres met Syrië sterk zijn. Miskend is daarmee echter dat door het vertrek van al haar kinderen die band minder sterk is geworden. De langdurig slechte situatie in Syrië kan ook negatieve invloed hierop hebben gehad. Beide aspecten heeft verweerder niet kenbaar meegenomen. Daarbij komt dat een sterke band met het land van herkomst er niet per definitie toe leidt dat geen sprake is van beva.
11.1.
De rechtbank overweegt verder dat volgens het besluit en het verweerschrift ‘asielgerelateerde’ omstandigheden buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling of sprake is van beva. Verweerder miskent dat ook die omstandigheden relevant kunnen zijn en dan niet buiten beschouwing mogen worden gehouden.
Conclusie en gevolgen
12. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen verdere mogelijkheid tot finale geschilbeslechting. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
13. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 september 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.