Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Samenvatting
.Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eisers, zussen en een broer van een referent met een asielvergunning, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hem in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvragen af omdat de identiteit en familierechtelijke band niet aannemelijk waren gemaakt. De rechtbank bevestigt deze afwijzing en verklaart het beroep ongegrond.
De minister baseerde zijn besluit op een integrale beoordeling van overgelegde documenten, waaronder doopaktes en een verklaring van een streekgemeente, die door Bureau Documenten werden onderzocht. Dit bureau concludeerde dat de doopaktes van de zussen waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt en dat de verklaring onvoldoende bewijs leverde. Ook was niet aannemelijk dat de moeder van eisers overleden was, wat relevant is voor de toestemmingsverklaring.
Eisers voerden aan dat het voordeel van de twijfel had moeten gelden en dat er sprake was van hechte persoonlijke banden tussen hen en de referent. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de identiteit en de familierechtelijke relatie onvoldoende zijn aangetoond en dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de referent en de broer. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eisers uit, mede vanwege het ontbreken van voldoende bewijs en het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid.
De rechtbank concludeert dat de minister een juiste integrale beoordeling heeft gemaakt en dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.