ECLI:NL:RBDHA:2025:19484
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening voor buitenwettelijke opvang ondanks hiv-infectie
Verzoeker, een Nigeriaanse asielzoeker, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om buitenwettelijke opvang te verkrijgen nadat zijn recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rvais) was geëindigd. Verzoeker stelt dat vanwege zijn hiv-infectie en medische behandeling het onthouden van opvang een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU oplevert.
De voorzieningenrechter overweegt dat de situatie van verzoeker geen uitzonderlijk geval vormt dat buitenwettelijke opvang rechtvaardigt, omdat niet is aangetoond dat het ontbreken van opvang zal leiden tot een acute medische noodsituatie. Verzoeker heeft slechts verwezen naar een BMA-advies uit een andere procedure, dat niet actueel is en niet in deze procedure is overgelegd.
Verweerder, het COA, stelt dat verzoeker ook na beëindiging van de verstrekkingen aanspraak kan maken op voortgaande medische behandeling op grond van artikel 10 Vreemdelingenwet Pro 2000. De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan en concludeert dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die buitenwettelijke opvang vereist.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor buitenwettelijke opvang wordt afgewezen wegens het ontbreken van een acute medische noodsituatie.