ECLI:NL:RBDHA:2025:19484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
AWB 25/16040
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten EUArt. 10 Vreemdelingenwet 2000Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor buitenwettelijke opvang ondanks hiv-infectie

Verzoeker, een Nigeriaanse asielzoeker, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om buitenwettelijke opvang te verkrijgen nadat zijn recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rvais) was geëindigd. Verzoeker stelt dat vanwege zijn hiv-infectie en medische behandeling het onthouden van opvang een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU oplevert.

De voorzieningenrechter overweegt dat de situatie van verzoeker geen uitzonderlijk geval vormt dat buitenwettelijke opvang rechtvaardigt, omdat niet is aangetoond dat het ontbreken van opvang zal leiden tot een acute medische noodsituatie. Verzoeker heeft slechts verwezen naar een BMA-advies uit een andere procedure, dat niet actueel is en niet in deze procedure is overgelegd.

Verweerder, het COA, stelt dat verzoeker ook na beëindiging van de verstrekkingen aanspraak kan maken op voortgaande medische behandeling op grond van artikel 10 Vreemdelingenwet Pro 2000. De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan en concludeert dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die buitenwettelijke opvang vereist.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor buitenwettelijke opvang wordt afgewezen wegens het ontbreken van een acute medische noodsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/16040
V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1969, met de Nigeriaanse nationaliteit,
verzoeker
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoeker (COA), verweerder.

(gemachtigde: mr. A. van Beurden).

Overwegingen

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, zodat verzoeker in deze zaak geen griffierecht hoeft te betalen.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekers recht op opvang op grond van de Rva [1] is geëindigd. Verder is tussen partijen niet in geschil dat verzoeker niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen waarvan op grond van de Rva opvang wordt geboden door verweerder, nu verzoeker dit niet heeft betwist.
3. Tussen partijen is in geschil of de situatie van verzoeker kan worden aangemerkt als een uitzonderlijk geval waardoor verweerder is gehouden buitenwettelijke opvang te verlenen, zoals bij het ontstaan van een acute medische noodsituatie. [2]
4. Bij het beantwoorden van deze vraag beperkt de voorzieningenrechter zich tot een afweging van de betrokken belangen, aangezien deze het uitgangspunt vormt voor de beoordeling van het geschil.
5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat in zijn geval het onthouden van opvang een strijdigheid oplevert met artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest [4] en verwijst daarbij naar het arrest [naam] [5] van het Hof van Justitie [6] . Verzoeker betoogt namelijk dat hij in Nederland vanwege een hiv-infectie onder medische behandeling staat en medicatie gebruikt. Volgens verzoeker zal bij het uitblijven van medische behandeling en medicatie een levensbedreigende medische noodsituatie optreden. Dit blijkt ook uit het BMA [7] -advies dat volgens verzoeker op 7 augustus 2024 is uitgebracht in zijn procedure betreffende de aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 [8] .
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van verzoeker geen sprake is van een uitzonderlijk geval. Volgens verweerder is namelijk niet onderbouwd met concrete en recente medische verklaringen dat verzoeker in een acute medische noodsituatie zal verkeren indien geen opvang aan hem zal worden verleend. Verweerder acht de enkele verwijzing naar een BMA-advies uit augustus 2024 hiertoe ontoereikend, aangezien dit advies niet actueel is. Verweerder verwijst verder onder andere naar de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2010 [9] , waarin is geoordeeld dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als de vreemdeling in kwestie hiv heeft, nu de vreemdeling op grond van artikel 10 van Pro de Vw 2000 ook na beëindiging van de verstrekkingen aanspraak kan maken op voortgaande medische behandeling. Van overige zeer bijzondere omstandigheden is volgens verweerder ook niet gebleken, waardoor de verwijzing naar het arrest [naam] niet opgaat.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van verzoeker. Verzoeker is er namelijk niet in geslaagd om aan de hand van medische stukken te onderbouwen dat het uitblijven van opvang zal leiden tot een acute medische noodsituatie. De enkele verwijzing naar een BMA-advies dat is uitgebracht in een andere procedure acht de voorzieningenrechter als onvoldoende onderbouwing, temeer nu dit BMA-advies niet in deze procedure is overgelegd. De voorzieningenrechter is het in dit kader verder met verweerder eens dat verzoeker op grond van artikel 10 van Pro de Vw 2000 ook na beëindiging van de verstrekkingen aanspraak kan maken op voortgaande medische behandeling.
8. Bij deze stand van zaken is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, wat betreft de situatie van verzoeker, geen sprake van een acute medische noodsituatie en daarmee een uitzonderlijk geval waardoor verweerder is gehouden buitenwettelijke opvang te verlenen.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het vorenstaande, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 januari 2005, nr. 200406855/1 en van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4652.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie.
7.Bureau Medische Advisering.
8.Vreemdelingenwet 2000.