Eiseres, afkomstig uit Kameroen, diende op 14 mei 2025 een asielaanvraag in vanwege vrees voor vervolging wegens haar politieke overtuiging en lidmaatschap van een politieke partij. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat het lidmaatschap en haar arrestatie niet geloofwaardig werden geacht en er een binnenlands vestigingsalternatief zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de activiteiten die eiseres bij terugkeer zou willen verrichten in het kader van haar politieke overtuiging, zoals voorgeschreven in de Werkwijze politieke overtuiging. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat eiseres geen risico op ernstige schade loopt in de gebieden die als vestigingsalternatief zijn aangewezen.
De rechtbank constateert dat de minister het beroep ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en vernietigt het besluit. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.