De minister van Asiel en Migratie legde op 8 september 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b lid 1 onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De maatregel werd op 21 september 2025 opgeheven vanwege een beslissing op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring op juiste en voldoende gemotiveerde gronden was opgelegd, met name vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, zoals ook in een eerdere asielprocedure was gebeurd. Een lichter middel was niet toereikend gebleken.
De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring niet onrechtmatig was geweest. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.