Eiser, een Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om zijn oom te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de familieband en twijfel over het voornemen het grondgebied tijdig te verlaten.
Eiser stelde dat de minister de hoorplicht had geschonden door niet om nadere informatie te vragen en geen hoorzitting te houden, ondanks een expliciet verzoek daartoe. De rechtbank oordeelde dat de minister niet had mogen afzien van het horen van eiser en referent, vooral gezien de voorgeschiedenis en de ingediende aanvullende bewijsstukken die niet zijn betrokken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.