ECLI:NL:RBDHA:2025:19313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.27236
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 AwbArt. 6:12 AwbRichtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EGProcedurerichtlijn
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij asielaanvraag tijdelijke bescherming

Eiseres diende op 26 januari 2023 een asielaanvraag in en stelde de minister op 15 januari 2025 in gebreke om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. De minister nam echter geen besluit en eiseres stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank overwoog dat eiseres valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG, waardoor de beslistermijn van de asielaanvraag is opgeschort tot na het einde van de tijdelijke bescherming. De werkingsduur van deze richtlijn is verlengd tot 4 maart 2026, waardoor de ingebrekestelling van eiseres prematuur was.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank Arnhem en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die bevestigen dat de beslistermijn pas gaat lopen na het beëindigen van de tijdelijke bescherming. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27236

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 26 januari 2023.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
3. Eiseres heeft op 26 januari 2023 een asielaanvraag gediend. Eiseres heeft de minister op 15 januari 2025 in gebreke gesteld en gevraagd om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. [3] De minister heeft dit niet gedaan en vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. [4]
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep van eiseres ontvankelijk is en overweegt daartoe als volgt.
5. De minister heeft bij beschikking van 9 april 2025 aan eiseres meegedeeld dat (naar aanleiding van de ingebrekestelling) geen dwangsom verschuldigd is. Eiseres valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (de Richtlijn).
6. Gelet op het voorgaande is artikel 43a van de Vreemdelingenwet 2000 op eiseres van toepassing. Uit dit artikel blijkt dat uiterlijk zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming een besluit op de aanvraag moet worden genomen. De beslistermijn van de asielaanvraag van de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet wordt opgeschort voor de duur van de tijdelijke bescherming. Dit betekent dat als een vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet een asielaanvraag indient, de minister uiterlijk zes maanden na het eindigen van de tijdelijke bescherming een besluit bekend moet maken. Op grond van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1836 is de werkingsduur van de Richtlijn voor vreemdelingen zoals eiseres in ieder geval verlengd tot en met 4 maart 2026.
7. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in haar uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2024 uitvoerig gemotiveerd dat opschorting van de behandeling van de asielaanvraag tot na het moment van de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet in strijd is met artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. [5] Dit oordeel sluit aan bij het voorlopig oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 2 april 2025. [6] De Afdeling is voorlopig van oordeel dat artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn zo gelezen moet worden dat deze bepaling een mogelijkheid bevat om af te wijken van de later opgestelde beslistermijn in artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn. Namelijk in het geval dat een asielverzoek is ingediend voor of tijdens de periode van de tijdelijke bescherming door een begunstigde van de Richtlijn. In dat geval gaan die termijnen pas lopen vanaf de dag dat de tijdelijke bescherming ten einde komt. Daarbij overweegt de Afdeling dat, hoewel deze mogelijkheid ervoor zorgt dat tijdelijk beschermden langer in onzekerheid verkeren, bijvoorbeeld over de precieze duur van hun verblijfsstatus, zij gedurende de looptijd van de tijdelijke bescherming altijd verzekerd zijn van rechtmatig verblijf en ontslaat de bevoegdheid tot opschorting de minister niet van zijn verplichting tot het nemen van een besluit op het ingediende asielverzoek op een later moment. Deze mogelijkheid doet volgens de Afdeling geen afbreuk aan het fundamentele recht om asiel aan te vragen.
8. De rechtbank merkt verder op dat zij bekend is met de prejudiciële vragen die de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025 heeft gesteld over de uitleg van artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn en de verhouding van dit artikel ten opzichte van artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de behandeling van deze zaak aan te houden, omdat de aard van de zaak – een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit – zich daartegen verzet.
9. Het voorgaande betekent dat eiseres nog steeds onder de Richtlijn valt en dat de beslistermijn voor haar asielaanvraag is opgeschort tot na het eindigen van de tijdelijke bescherming. Als gevolg hiervan is de ingebrekestelling van eiseres prematuur en is het beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b van de Awb.