ECLI:NL:RBDHA:2025:19220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.12842 en NL25.12843
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit 1/80 Associatieraad EEG en Turkije
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige arbeid wegens ontbreken mvv-vrijstelling

Eiser, een Turkse onderdaan, heeft meerdere aanvragen gedaan voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige in Nederland. Zijn derde aanvraag werd op 18 september 2023 afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling van dit vereiste. Ook het bezwaar tegen deze afwijzing werd door verweerder verworpen.

Eiser stelde in beroep dat het mvv-vereiste niet tegen hem mocht worden toegepast vanwege het Turks associatierecht en dat er bijzondere individuele omstandigheden waren die vrijstelling rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat het toepassen van het mvv-vereiste niet in strijd is met het Turks associatierecht zolang het niet verder gaat dan noodzakelijk en rekening wordt gehouden met bijzondere omstandigheden. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat er bijzondere individuele omstandigheden waren die een vrijstelling rechtvaardigen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiser niet had aangetoond welke bezwaarlijke gevolgen een tijdelijke terugkeer naar Turkije zou hebben voor zijn onderneming. Ook was het mvv-vereiste mede ingesteld om illegale arbeid tegen te gaan. Het bezwaar dat eiser niet was gehoord in de bezwaarprocedure werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.12842 en NL25.12843
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het doel ‘arbeid als zelfstandige’ en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 18 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser wil in Nederland verblijven om arbeid als zelfstandige te verrichten en hij heeft daartoe sinds 2022 meerdere aanvragen ingediend. Zijn eerste twee aanvragen zijn afgewezen en staan in rechte vast. Op 31 mei 2023 heeft eiser een derde aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij [bedrijfsnaam] ’.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Ook is er geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser zou moeten worden vrijgesteld van het vereiste.
4. Op 11 april 2024 heeft eiser zijn vierde aanvraag ingediend. Het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag heeft de rechtbank op dezelfde zitting behandeld onder zaaknummer NL25.17265.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het mvv-vereiste tegenwerpt. Ten eerste is eiser een Turks onderdaan en is het tegenwerpen van het mvv-vereiste een schending van het Turks associatierecht [1] . Ten tweede is er wel sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het stellen van het mvv-vereiste brengt de behandeling van de tweede aanvraag van eiser in gevaar, nu die procedure ten tijde van het besluit in primo op deze aanvraag nog liep. Daarnaast zullen er harde gevolgen zijn voor het voortbestaan van de onderneming van eiser als hij zou moeten terugkeren naar Turkije.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het toepassen van het mvv-vereiste bij aanvragen van Turkse onderdanen niet in strijd is met het Turks associatierecht, [2] zolang dat niet verder gaat dan noodzakelijk en het mogelijk is om rekening te houden met bijzondere individuele omstandigheden. Verweerder heeft de mogelijkheid om een vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste middels de hardheidsclausule, wanneer bijzondere individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De rechtbank zal dus toetsen of er sprake is van dergelijke omstandigheden en of verweerder daar aanleiding in had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen, zoals door eiser is aangevoerd.
6.1.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op basis waarvan eiser had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser zijn stelling, dat de feiten en zijn belangen niet juist zijn gewogen, niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft ook mogen overwegen dat eiser niet heeft onderbouwd wat de bezwaarlijke gevolgen zouden zijn voor zijn onderneming als hij tijdelijk zou moeten terugkeren naar Turkije voor het aanvragen van de mvv. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte opgemerkt dat eiser zonder verblijfsvergunning niet legaal kan werken en het mvv-vereiste juist mede is gesteld om illegale arbeid tegen te gaan. Ten slotte heeft verweerder ook in het feit dat eiser in afwachting was van een beslissing op zijn bezwaar in zijn tweede aanvraag geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden, nu die aanvraag is afgewezen en dat bezwaar ongegrond is verklaard.
7. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij in de bezwaarprocedure niet is gehoord. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [3] Verweerder heeft kunnen vaststellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije.
2.Waaronder de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935 en van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171.
3.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Dat volgt uit artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.