ECLI:NL:RBDHA:2025:19010
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning
Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door de minister werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure bleef het besluit ongewijzigd. Verzoekster stelde beroep in en vroeg tevens een voorlopige voorziening.
Tijdens de procedure verleende de minister uitstel van vertrek en twee verblijfsvergunningen onder beperkingen, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank overwoog dat een proceskostenveroordeling alleen mogelijk is indien het bestuursorgaan een standpunt herneemt dat onrechtmatigheid erkent.
De rechtbank concludeerde dat de minister het oorspronkelijke besluit niet heeft herzien of ingetrokken en dat geen onrechtmatigheid is komen vast te staan. Ook het eerdere beroep tegen niet tijdig beslissen werd reeds gegrond verklaard en de minister veroordeeld in proceskosten. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister.