ECLI:NL:RBDHA:2025:1864
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens medische omstandigheden met aanvullend BMA-advies
Verzoeker, een Pakistaanse staatsburger met ernstige medische aandoeningen, werd ambtshalve beoordeeld als niet in aanmerking komend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Asiel en Migratie handhaafde dit oordeel ondanks bezwaren van verzoeker. Verzoeker stelde dat het medische advies (BMA-advies) waarop dit besluit was gebaseerd verouderd was en dat de noodzakelijke medische zorg in Pakistan niet toegankelijk is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies van 29 september 2023, ouder dan zes maanden, niet als actueel kan worden beschouwd, mede gelet op het eigen protocol van het BMA en jurisprudentie van het EHRM. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de kosten van behandeling in Pakistan niet kan dragen of dat de zorg feitelijk ontoegankelijk is. Wel stelde de rechter dat onduidelijk is of de behandelmogelijkheden in Karachi nog steeds beschikbaar zijn.
Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die de uitzetting van verzoeker schorst totdat een aanvullend BMA-advies is overgelegd dat bevestigt dat de medische behandelingen in Karachi nog beschikbaar zijn. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker. Het verzoek om mondelinge toelichting werd afgewezen en het ontbreken van ondertekening van het besluit werd niet als gebrekkig beoordeeld.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt geschorst totdat een actueel aanvullend BMA-advies is overgelegd over de beschikbaarheid van medische behandelingen in Karachi.