Uitspraak
Zicht op uitzetting
1.ECLI:NL:RVS:2014:1105.
Recht op familie- en gezinsleven
Ambtshalve toetsing
2.ECLI:NL:RVS:2024:1892.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzetting. Hij voerde aan dat zijn ophouding onterecht was omdat zijn identiteit reeds bekend was en dat er onvoldoende zicht was op uitzetting naar Algerije.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was, ook al was zijn identiteit bekend, omdat tijdens ophouding verificaties en aanvullende gegevensverzameling kunnen plaatsvinden. De zware en lichte gronden voor bewaring waren voldoende gemotiveerd en niet betwist, behalve grond 3i die niet verder hoefde te worden besproken.
Verder stelde de rechtbank vast dat er voldoende zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, en dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn terugkeer. Het verzoek om toepassing van een lichter middel werd afgewezen vanwege het risico op onttrekking en het ontbreken van aantoonbare inspanningen van eiser.
Ten aanzien van het belang van het familie- en gezinsleven oordeelde de rechtbank dat dit zich niet verzet tegen verwijdering, mede omdat eiser geen concrete gegevens over zijn Belgische partner kon verstrekken en geen afhankelijkheid kon aantonen. Ook het beginsel van non-refoulement en het belang van het kind stonden verwijdering niet in de weg.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.