ECLI:NL:RBDHA:2025:18215
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende op 25 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag, gelet op eerdere asielaanvragen en terugnameverzoeken binnen de EU.
Eiser voerde aan dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door een standaardvoornemen te gebruiken zonder rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een duurzame relatie met een Nederlandse partner en zorg voor haar kinderen. Tevens betwistte hij de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat en deed een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat het standaardvoornemen voldoet aan de vereisten en dat eiser voldoende gelegenheid had om zijn zienswijze te geven. De rechtbank stelde vast dat Duitsland terecht als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, mede gezien eerdere terugnameverzoeken en de reisbewegingen van eiser. Daarnaast werd geoordeeld dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangetoond om toepassing van artikel 17 te Pro rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.