Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39840
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Franca).
Procesverloop
Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.39542). Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij zijn beroep in Nederland mag afwachten en de rechten behoudt die hij heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer (TK 19 637, Nr. 3434) heeft besloten de eerder ingestelde bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Dit betekent dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om uit de (gemeentelijke) opvang en Nederland te vertrekken en dat hij sinds 4 september 2025 niet meer mag werken. Gelet hierop heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij moet terugkeren naar Turkmenistan. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling [2] van 17 januari 2024 [3] , waarin is bepaald dat het recht op bescherming dat verzoeker geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [4] van rechtswege eindigde op 4 maart 2024. Verweerder heeft in overeenstemming met die uitspraak besloten dat de facultatieve bescherming op die datum eindigt. Het Hof van Justitie [5] heeft in een arrest van 19 december 2024 [6] geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft vervolgens bij uitspraak van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof in de voorliggende zaken dient te worden toegepast. De Afdeling heeft met deze uitspraak opnieuw bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd.
4. Verzoeker voert in het aan het verzoek connexe beroep aan dat het terugkeerbesluit vroegtijdig is genomen en in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt namelijk dat een terugkeerbesluit pas mogelijk is op het moment dat de bescherming eindigt. Dit is dus pas na 4 september 2025. Verder is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van het EVRM. [8] Tot slot ontbreekt een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling. Verder wordt verzocht om een ordemaatregel te treffen. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2025. [9]
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Prematuur terugkeerbesluit
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het betoog van verzoeker dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen niet. Weliswaar volgt uit het arrest Kaduna en Abkez en de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, maar daarvan is in verzoekers geval geen sprake. Gelet op de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling is de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 geëindigd, zodat hij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat het verzoeker door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez.
Artikel 8 van het EVRM
6. De voorzieningenrechter volgt verzoeker ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn [10] volgt weliswaar dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening moet worden gehouden met het recht op privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, maar verzoeker heeft nagelaten zijn belangen te concretiseren dan wel nader te onderbouwen. De enkele stelling dat hij in Nederland een vaste relatie heeft met een Oekraïense vrouw is hiervoor onvoldoende.
Non-refoulement
7. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat niet is gebleken van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat verzoeker bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoekers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, omdat hij geen informatie heeft gegeven die van belang is voor het doorlopen van de asielprocedure. Verzoeker heeft het door hem gestelde risico ook niet verder toegelicht of onderbouwd.
Beroep op uitspraak van 3 september 2025
8. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het treffen van een ordemaatregel, zoals in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2025. Daarbij komt dat in die zaak het standpunt van verweerder niet bekend was en betreft het dus geen vergelijkbare zaak.
Conclusie
9. Gelet op al het voorgaande heeft het beroep naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Daarom zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.