Verzoekster, een derdelander uit Oekraïne, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het terugkeerbesluit van 8 juli 2025, waarin haar tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) per 4 maart 2024 werd beëindigd. Zij vordert dat zij gedurende de beroepsprocedure niet wordt uitgezet en haar voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onverwijlde spoed aanwezig is, omdat de bevriezingsmaatregel voor de groep derdelanders Oekraïne op 4 september 2025 eindigt. Na die datum mag verzoekster geen gebruik meer maken van opvangvoorzieningen en niet meer werken, terwijl zij ten tijde van het bestreden besluit geen lopende procedure had over tijdelijke bescherming.
Daarom wordt het verzoek toegewezen als ordemaatregel, waarbij verzoekster wordt behandeld alsof de Richtlijn tijdelijke bescherming nog van toepassing is tot vier weken na de beslissing op het beroep. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster ad € 907.