ECLI:NL:RBDHA:2025:18053
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Minister onterecht niet-ontvankelijk verklaring bezwaarschrift wegens te late indiening
Eiseres diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de minister op 15 oktober 2024 werd afgewezen. De minister verklaarde het daaropvolgende bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Eiseres betwistte de ontvangst van het besluit en stelde dat de bezwaartermijn daardoor niet was gaan lopen.
De rechtbank stelde vast dat de minister aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 16 oktober 2024 per post was verzonden via een deugdelijk postverzendingsregistratiesysteem. Echter, eiseres had aannemelijk gemaakt dat zij het besluit niet had ontvangen, onderbouwd met een transparant ontvangstregistratiesysteem binnen haar kantoor.
Omdat eiseres pas na ontvangst van de kennisgeving van de minister op 13 december 2024 bezwaar maakte, werd de termijnoverschrijding als verschoonbaar beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 27 februari 2025. De minister werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de minister, met opdracht tot een nieuw besluit en vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.