Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
18 september 2025 zijn de gronden van beroep ingediend. Verder is verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL25.44221).
Overwegingen
4 september 2025 rechtmatig in Nederland te blijven. Het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel staan aan de beëindiging in de weg. Andere lidstaten hebben de bescherming voor de facultatieve groep niet beëindigd. Er is tevens sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot betoogt eiseres dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt. [2]
4 maart 2024.
Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. [6] De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. [7] Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet. [8]
Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 24 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
Anders dan eiseres bepleit ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 24 juli 2025 genomen.
De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. In het bestreden besluit heeft de minister het familie- en gezinsleven van eiseres alsmede haar privéleven zoals dat volgt uit artikel 8 van Pro het EVRM betrokken. Het door eiseres gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie en de ABRvS over het beëindigen van de tijdelijke bescherming is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hebben beëindigd of dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.