ECLI:NL:RBDHA:2025:17798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
NL25.39806
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArtikel 5 TerugkeerrichtlijnArtikel 6 TerugkeerrichtlijnArtikel 7 Richtlijn 2001/55
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming van derdelanders

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 24 juli 2025, omdat zij meent dat onvoldoende rekening is gehouden met haar recht op familie- en privéleven en dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Zij beroept zich onder meer op het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning per 4 maart 2024 is beëindigd, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie. De bevriezingsmaatregel die de gevolgen van deze beëindiging tijdelijk opschortte, is per 4 september 2025 stopgezet.

De rechtbank oordeelt dat de minister op 24 juli 2025 bevoegd was het terugkeerbesluit uit te vaardigen, omdat de tijdelijke bescherming toen reeds was geëindigd en de bevriezingsmaatregel slechts een voorlopige opschorting betrof. De aangevoerde bezwaren van eiseres leiden niet tot een ander oordeel, mede gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt op 29 september 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39806

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
Eiseres heeft op 21 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2025. Op
18 september 2025 zijn de gronden van beroep ingediend. Verder is verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL25.44221).
De rechtbank doet uitspraak op het beroep zonder zitting. [1] Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1. Eiseres betoogt dat met het terugkeerbesluit onvoldoende rekening is gehouden met het recht op familieleven en gezinsleven. Ze heeft in Nederland een relatie die door het terugkeerbesluit niet kan worden voortgezet in Nederland of Europa. Ook is geen rekening gehouden met het privéleven van eiseres in Nederland. Ze woont en werkt in Nederland, heeft haar opleiding afgerond en wil een vervolgopleiding aanvangen. Eiseres meent verder dat het haar vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om in elk geval tot
4 september 2025 rechtmatig in Nederland te blijven. Het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel staan aan de beëindiging in de weg. Andere lidstaten hebben de bescherming voor de facultatieve groep niet beëindigd. Er is tevens sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot betoogt eiseres dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024
2.
Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
2.1.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de ABRvS bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór
19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt. [2]
2.2.
Bij brief van 7 februari 2024 is eiseres bericht dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop zij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na
4 maart 2024.
2.3.
Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is. [3]
2.4.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de ABRvS bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen. [5]
Stopzetten van bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025
3.
Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. [6] De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. [7] Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet. [8]
Terugkeerbesluit
4.
Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 24 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
5.
Anders dan eiseres bepleit ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
5.1.
Artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Pro Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
5.2.
Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per
4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 24 juli 2025 genomen.
5.3.
Op 24 juli 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 24 juli 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. [9]
6.
De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. In het bestreden besluit heeft de minister het familie- en gezinsleven van eiseres alsmede haar privéleven zoals dat volgt uit artikel 8 van Pro het EVRM betrokken. Het door eiseres gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie en de ABRvS over het beëindigen van de tijdelijke bescherming is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hebben beëindigd of dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot
4 september 2025 in Nederland te blijven maakt dat niet anders.
7. Het beroep is ongegrond.
8.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.ECLI:EU:C:2024:1038.
5.Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.
6.ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.
7.Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.
8.Brief van de minister van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 19 637, nr. 3434.
9.Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),