Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:17646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
NL25.25769
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 31 lid 6 onder c Vreemdelingenwet 2000Art. 29 lid 1 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische man wegens onvoldoende aannemelijk risico bij terugkeer

Eiser, een Somalische man geboren in 2004 en behorend tot de Murusade, Sabti bevolkingsgroep, diende op 25 april 2023 een asielaanvraag in. Hij vreesde terugkeer vanwege herhaalde telefonische benaderingen door zijn neef, lid van Al-Shabaab, die hem wilde rekruteren. Eiser heeft deze benaderingen geweigerd en sinds 2019 grotendeels binnen verbleven.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 3 juni 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de benaderingen en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De rechtbank behandelde het beroep op 7 augustus 2025 en oordeelde dat de minister de afwijzing terecht motiveerde. De verklaringen van eiser over de benaderingen waren vaag, onsamenhangend en deels gebaseerd op vermoedens.

De rechtbank stelde vast dat Mogadishu onder controle staat van de Somalische overheid en niet van Al-Shabaab, waardoor het algemene veiligheidsniveau volgens de minister laag is. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld of ernstige schade. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 3 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Hij heeft op 25 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Murusade, Sabti bevolkingsgroep. Hij is vijf keer door zijn neef telefonisch benaderd om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Zijn neef, genaamd [persoon A], is tevens lid van Al-Shabaab. De eerste keer dat hij is benaderd was in juni 2019. De laatste keer dat hij is benaderd was eind 2020. Eiser heeft geweigerd om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Hij heeft sinds de eerste bedreiging geprobeerd veel binnen te blijven. Eiser is op 14 september 2021 vertrokken uit Mogadishu. Hij vreest bij terugkeer voor zijn neef en Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De benaderingen door eisers neef om aan te sluiten bij Al-Shabaab.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De benaderingen door eisers neef om aan te sluiten bij Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig. Eiser heeft in eerste instantie zijn asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder voldoet eiser niet aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft vaag en onsamenhangend verklaard over de benaderingen. Daarnaast is er sprake van tijdsverloop tussen de telefonische benaderingen. Verder zijn de verklaringen over eisers neef en zijn familie gebaseerd op vermoedens. De minister volgt ook eisers verklaringen over dat hij binnen heeft gezeten niet. Verder vindt de minister het ongerijmd dat eiser nog bang is voor zijn neef en Al-Shabaab. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag ongegrond is.
Zienswijze herhaald en ingelast
6. De enkele verwijzing door eiser naar de zienswijze en het verzoek om die als herhaald en ingelast te beschouwen is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De rechtbank stelt vast dat de minister hierop in het bestreden besluit een uitgebreide motivering heeft gegeven. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Mocht de minister de benaderingen door eisers neef ongeloofwaardig achten?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de benaderingen door eisers neef ongeloofwaardig zijn, omdat hij wel aannemelijk heeft gemaakt waarom zijn neef en Al-Shabaab in hem waren geïnteresseerd. De minister heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser vijf keer de telefoon heeft opgenomen toen zijn neef belde. [1] Verder betoogt eiser dat tijdens de telefoongesprekken met zijn neef niet is besproken waarom het interessant was voor de neef dat eiser in Mogadishu woonde. Daarnaast zijn familieleden niet benaderd, omdat zij óf vrouwen zijn óf getrouwd zijn en kinderen hebben die te jong zijn om gerekruteerd te worden door Al-Shabaab. Verder voert eiser aan dat het zijn van ontheemde in Towfiq/Yaqshid, het rekruteren van familieleden en de interesse van Al-Shabaab voor ontheemden in de buitenwijken van Mogadishu wordt onderbouwd met objectieve documenten. Eiser verwijst in dit kader naar het rapport Somalia: Country Focus van EUAA van mei 2025, waarin staat vermeld dat familieleden vaak andere familieleden rekruteren voor Al-Shabaab en dat ontheemden in de buitenwijken van Mogadishu, waar Al-Shabaab een sterke invloed heeft, vaak worden gerekruteerd door Al-Shabaab onder meer als informanten en spionnen.
7.1.
Verder voert eiser aan dat zijn neef een samenvatting en uitleg heeft gegeven van verschillende verzen en overleveringen uit de Koran waarmee hij wilde aangeven dat de Somalische autoriteiten de ongelovigen waren die volgens de Koran mochten worden gedood. Daarnaast kan eiser zich, gelet op het tijdsverloop, niet herinneren over welke Koranverzen en overleveringen zijn neef heeft gesproken en ging het vaak over delen van verzen/overleveringen. Eiser ging niet in tegen individuele verzen en overleveringen, maar tegen de conclusie dat ongelovigen moesten worden gedood. Verder nam eiser de telefoontjes van zijn neef op om zijn neef te overtuigen om hem niet voor Al-Shabaab te rekruteren.
7.2.
Daarnaast betoogt eiser dat zijn verklaringen over zijn neef en zijn familie niet zijn gebaseerd op vermoedens, maar op zijn eigen informatie en de informatie van zijn moeder en haar broer [persoon B] die contact hadden met familie en clanleden uit Moqokori. Eiser weet dat zijn neef tot Al-Shabaab behoort, omdat deze hem heeft gebeld en hem heeft verzocht om zich ook aan te sluiten bij Al-Shabaab. Daarnaast wist hij ook al van de vader van zijn neef, [persoon C], dat deze zich bij Al-Shabaab had aangesloten en was vermoord. Verder hadden eiser en zijn moeder nog contact met familie en leden van de Hawadle clan in Moqokori. Zo waren eiser en zijn moeder op de hoogte, en dat waren geen vermoedens, dat de vrouw van zijn oom [persoon C] hertrouwd was met een lid van de Al-Shabaab en dat zijn neef en zijn broers en zusters ook betrokken waren bij Al-Shabaab. Het is onduidelijk wat de minister bedoelt met dat het niet gaat om één verklaring, maar om meerdere verklaringen en een optelsom van de verklaringen van derden. Eiser heeft alle informatie over de familie van zijn neef van betrouwbare bronnen vernomen, namelijk van zijn moeder en oom [persoon B], die het op hun beurt van familie en clanleden in Moqokori hadden gehoord.
7.3.
Eiser voert ook aan dat zijn verklaringen met betrekking tot het tijdsverloop tussen de telefonische benaderingen, hij binnen heeft gezeten en dat hij nog bang is voor zijn neef en Al-Shabaab niet ongerijmd en aannemelijk zijn. Ten aanzien van het tijdsverloop tussen de telefonische benaderingen merkt eiser op dat hij tot eind 2020 telefonisch contact had met zijn neef en op die manier probeerde hij uit de problemen te blijven. Vanaf 2019 bleef eiser bijna altijd binnen, maar ging soms nog wel naar de moskee. Vanaf eind 2020 bleef hij altijd binnen, behalve één keer toen hij naar de Somalische autoriteiten ging om zich aan te melden om als militair in het Somalische leger te dienen, zodat hij bescherming zou krijgen tegen Al-Shabaab. Eiser gaat ervan uit dat het feit dat hij binnenshuis bleef bij zijn familie en clan en ook dat er een militaire basis in de buurt van de woning stond er toe hebben geleid dat hij ook na eind 2020 geen problemen heeft gekregen met Al-Shabaab.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de benaderingen van zijn neef om aan te sluiten bij Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 30 mei 2025, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.
8.1.
De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij interessant was voor Al-Shabaab. De minister heeft daarbij mee mogen wegen dat het zijn van minderjarige, niet getrouwd en kinderloos niet automatisch maakt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij interessant is voor Al-Shabaab. Daar komt bij dat de enkele stelling van eiser dat hij door zijn neef is benaderd, omdat hij is verhuisd naar Mogadishu met zijn moeder evenmin maakt dat hij interessant is voor Al-Shabaab. Met betrekking tot het contact met de militairen, wat volgens eiser zou maken dat hij interessant kan zijn voor Al-Shabaab, heeft de minister kunnen betrekken dat eiser gedurende het nader gehoor hierover niets heeft verklaard. Verder heeft de minister ook kunnen betrekken dat de enkele stelling dat eiser een familieband zou hebben met zijn neef onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij interessant is voor Al-Shabaab. De verwijzing van eiser naar het EUAA-rapport maakt dat niet anders. De minister heeft kunnen stellen dat eiser hiermee niet duidelijk heeft gemaakt dat hij, omdat hij de enige was zonder kinderen die ongehuwd was, interessant was voor Al-Shabaab. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waarom ze eiser als enige hebben gekozen en niet bijvoorbeeld zijn broer die gehuwd is. De minister heeft kunnen stellen dat het zijn van minderjarig, niet getrouwd en kinderloos niet automatisch met zich brengt dat eiser interessant is voor Al-Shabaab. Ook is eiser niet benaderd door andere leden van Al-Shabaab.
8.2.
Daarnaast heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser vaag en onsamenhangend heeft verklaard over de benaderingen. Zo heeft eiser wel kunnen benoemen dat de Koranverzen die zijn neef heeft aangehaald niet juist waren, maar weet eiser niet welke Koranverzen er werden aangehaald. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard dat hij het zelf liever in de hand hield om contact te houden met zijn neef om hem te kunnen overtuigen hem niet meer lastig te vallen. De minister heeft deze verklaring niet in lijn mogen achten met de verklaring van eiser dat hij zijn neef had verzocht geen contact meer met hem te zoeken. De minister volgt eiser niet ten onrechte niet in de verklaring dat hij de boot heeft afgehouden, aangezien hij alle keren dat zijn neef anoniem belde heeft opgenomen. Als eiser daadwerkelijk de aansluiting bij Al-Shabaab uit de weg wilde gaan, ligt het in de lijn van de verwachting dat hij al het mogelijke contact uit de weg zou gaan. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser geen maatregelen heeft genomen, zoals het niet opnemen van de anonieme telefoontjes of het nemen van een ander telefoonnummer. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de situatie dat eisers neef in Moqokiri zou wonen niet af doet aan het feit dat eisers neef het adres van eiser had kunnen doorgeven aan andere leden van Al-Shabaab die eiser wel hadden kunnen benaderen. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat indien eisers neef en Al-Shabaab de daadwerkelijke noodzaak zouden zien om eiser te laten aansluiten bij Al-Shabaab, zij ook naar Mogadishu zouden kunnen reizen. Dit heeft Al-Shabaab of eisers neef echter niet gedaan. Dat volgens eiser de legerbasis in de buurt van zijn woning bescherming bood, doet daar niet aan af. Eiser heeft namelijk verklaard dat de ligging van de legerbasis er niet per se iets mee te maken heeft, maar dat ze dan misschien niet makkelijk durven. [2] De minister heeft kunnen stellen dat eiser hiermee niet overtuigend heeft verklaard over de reden waarom eisers neef en Al-Shabaab eiser niet in persoon hebben benaderd.
8.3.
Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn neef en zijn familie zijn gebaseerd op vermoedens. Zo heeft eiser verklaard dat zijn hele familie van zijn oom van moederskant aanhangers zijn van Al-Shabaab, terwijl hij sinds zijn achtste geen contact meer heeft met zijn neef. De minister heeft kunnen betrekken dat deze verklaringen, over dat de familie van eisers oom van moederskant aanhangers van Al-Shabaab zijn, enkel vermoedens zijn. Eiser heeft namelijk de informatie over hen via via te horen gekregen. Eisers moeder en haar broer [persoon B] zouden nog in contact zijn met mensen in Moqokori en deze mensen kwamen bij hen in Mogadishu verblijven. Via deze mensen zou eisers moeder informatie hebben verkregen. De informatie over de familie van eiser is niet direct mondeling aan eiser overgedragen. Dat het voor eiser alleen belangrijk was dat zijn neef was aangesloten bij Al-Shabaab en niet wat hij precies deed, heeft de minister opmerkelijk mogen achten. Het ligt namelijk in de lijn der verwachting dat hij navraag doet wanneer hij door zijn neef wordt gevraagd om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over dat hij binnen heeft gezeten ongerijmd zijn. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf de zesde maand van 2019 tot aan zijn vertrek in 2021 binnen heeft gezeten. Dat eiser na het eerste telefoontje in 2019 af en toe naar de moskee is gegaan en medio 2021 naar het Somalische leger, heeft de minister in dat licht bezien onlogisch kunnen achten. De minister heeft het ook niet ten onrechte ongerijmd geacht dat eiser nog bang is voor zijn neef en Al-Shabaab. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eisers neef en Al-Shabaab hem gedurende de ongeveer twee jaar dat hij nog in Somalië was gemakkelijk hadden kunnen opzoeken. Het is echter enkel bij telefonische benaderingen gebleven volgens eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de gestelde vrees voor ernstige schade vanwege de benaderingen van eisers neef terecht niet aannemelijk bevonden?
9. Eiser betoogt dat hij risico loopt bij terugkeer, omdat zijn uiterlijk en gedrag zijn beïnvloed door zijn verblijf in Europa sinds 2022. In Somalië zouden Somaliërs ook donkerder zijn dan de Somaliërs die langere tijd in Europa hebben verbleven. Hiertoe voert eiser aan dat hij als ongelovige en spion zou worden beschouwd. Eiser verwijst hierbij naar pagina 116 en 117 uit het meest recente ambtsbericht, waar staat beschreven dat het moeilijk is voor mensen die van medewerking aan de kant van Somalië en iemand die zou terugkeren zou moeilijk werk kunnen vinden.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat eiser zijn vrees door de benaderingen van zijn neef en daarmee de gestelde vrees voor Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is eiser afkomstig uit Mogadishu, wat onder de controle staat van de Somalische overheid. Uit paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vc 2000 volgt dat er voor iedere terugkeerder naar Somalië een reëel risico is op ernstige schade indien Al-Shabaab het gebied van herkomst controleert of de terugkeerder door gebied moet reizen waar Al-Shabaab de macht heeft. Dat is in eisers situatie niet het geval. Het zijn van ontheemde in 2019 uit het gebied aan de buitenkant van Mogadishu maakt ook niet dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Eisers stelling dat familieleden vaak andere familieleden rekruteren voor Al-Shabaab en dat ontheemden in de buitenwijken van Mogadishu vaak worden gerekruteerd als informanten en spionnen maakt dat niet anders nu de gestelde benaderingen door eisers neef niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. De overgelegde bronnen van eiser bieden geen onderbouwing voor eisers gestelde persoonlijke vrees bij terugkeer. Eiser heeft namelijk verwezen naar bronnen die de algemene situatie in Somalië beschrijven. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de stelling van eiser dat hij als ongelovige en spion zal worden beschouwd ook niet nader is onderbouwd of geconcretiseerd. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt.
Loopt eiser een verhoogd risico bij terugkeer in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
10. Eiser betoogt ten slotte dat de minister het niveau van geweld in Somalië in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn onjuist heeft gekwalificeerd. De minister verwijst naar zijn beleid dat gebaseerd lijkt te zijn op WBV 2025/3 van 5 februari 2025. Op 4 april 2025 is er een nieuw algemeen ambtsbericht over Somalië (ambtsbericht) uitgebracht en daaruit blijkt een toename van willekeurig geweld. De informatie waarop de minister de conclusie in februari 2025 heeft gebaseerd, is daarmee verouderd en er zou opnieuw naar het niveau van willekeurig geweld moeten worden gekeken. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2023 [3] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 [4] . De minister heeft zich niet aan de beoordeling in twee fases gehouden en gaat ook uit van een verkeerd niveau van willekeurig geweld. Daar komt bij dat eiser niet alleen heeft verwezen naar de algemene veiligheidssituatie in Somalië, maar ook naar zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden onder verwijzing naar pagina 116 en 117 van het ambtsbericht.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in een gewapend conflict. Eiser heeft namelijk geen concrete informatie overgelegd die aantoont dat hij daadwerkelijk een verhoogd risico loopt in de huidige veiligheidssituatie. De minister verwijst hierbij naar paragraaf C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op basis van de beleidswijzigingen naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2024 is Somalië (inclusief de regio’s Mogadishu, Galmudug, Jubbaland, South West State en Hirshabelle) ingeschaald in de laagste gradatie. Eisers verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 is niet voldoende. De algemene verwijzing naar het gewapende conflict in Somalië volstaat niet als onderbouwing voor een individueel risico onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij is in de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2024 benadrukt dat er in gebieden met een laag niveau van willekeurig geweld niet automatisch sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin iedere burger risico loopt. Eiser moet zelf aannemelijk maken dat zijn persoonlijke omstandigheden maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade en niet enkel dat er in Somalië geweld voorkomt.
10.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn is sprake als er een uitzonderlijke situatie is, waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat ieder, enkel door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Dit geweld kan volgens het beleid van de minister [5] onderverdeeld worden in drie gradaties: een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, een relatief hoger niveau van willekeurig geweld en een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Als er sprake is van een relatief hoger of lager niveau van willekeurig geweld is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. [6]
10.3.
Verder is in paragraaf C2/30.4.1.1 van de Vc 2000 opgenomen dat gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000. [7] In paragraaf C2/30.4.2 van de Vc 2000 is bepaald dat de minister voor Somalië een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de stad Mogadishu heeft aangenomen.
10.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab. Hiermee is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege dit willekeurige geweld. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de minister heeft kunnen concluderen dat de stelling van eiser dat Al-Shabaab interesse in hem heeft, niet wordt gevolgd. Daar komt bij dat de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verder heeft eiser niet nader onderbouwd waarom bij hem (verdere) persoonlijke omstandigheden aanwezig zijn waardoor hij eerder slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister voor eiser geen verhoogd risico op ernstige schade hoefde aan te nemen als hij zich in Mogadishu vestigt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar pagina 21 en 23 van het nader gehoor.
2.Verslag nader gehoor, p. 24.
3.ECLI:EU:C:2023:843.
5.C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Volgt ook uit C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000.