ECLI:NL:RBDHA:2025:17598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
AWB 25/10687
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2013/33/EUECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717ECLI:NL:RBDHA:2023:7412
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overplaatsing naar opvanglocatie voor meerderjarigen

Verzoeker, die door de IND als meerderjarige is geregistreerd, verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij wordt overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie voor meerderjarigen. De overplaatsing was gepland op 11 juli 2025. De voorzieningenrechter oordeelde dat het COa terecht mocht uitgaan van de leeftijdsbepaling door de IND, ondanks de door verzoeker aangevoerde twijfel over zijn leeftijd.

Verzoeker stelde dat hij kwetsbaar is en bijzondere opvangbehoeften heeft, onderbouwd met verklaringen van zijn voogd en mentor. Het COa heeft echter gemotiveerd dat deze verklaringen subjectief zijn en onvoldoende onderbouwd met medische stukken. Bovendien biedt het COa maatwerk binnen reguliere opvanglocaties en kan indien nodig overplaatsing naar een intensief begeleidende opvanglocatie plaatsvinden.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het COa een eigen beoordeling van de opvangbehoefte heeft gemaakt en dat verzoeker geen concrete specifieke opvangbehoeften heeft aangetoond die een plaatsing in een opvang voor minderjarigen vereisen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overplaatsing naar een opvanglocatie voor meerderjarigen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/10692

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa

(gemachtigde: mr. D.J.G. van de Braak-Lensen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen (reguliere opvanglocatie) totdat op het beroep is beslist.
1.1.
Op 10 maart 2025 heeft het COa in een e-mail laten weten dat verzoeker door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als meerderjarige is aangemerkt. Het COa is voornemens om verzoeker over te plaatsen naar een reguliere opvanglocatie. Deze e-mail is op 13 maart 2025 doorgestuurd aan de gemachtigde van verzoeker. Verzoeker heeft op
21 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen dit voornemen. Met het besluit van 17 april 2025 heeft het COa dit bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft op 14 mei 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van
17 april 2025 (zaaknummer AWB 25/10687). Tevens heeft hij toen een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer AWB 25/10692).
1.3.
Het COa heeft op 13 juni 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Op 7 juli 2025 heeft het COa kenbaar gemaakt dat de feitelijke overplaatsing van verzoeker zal plaatsvinden op 11 juli 2025.
1.5.
De voorzieningenrechter doet vanwege onverwijlde spoed uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft daarbij een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland opgegeven dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2008. Omdat verzoeker geen documenten heeft overgelegd waarmee hij zijn gestelde leeftijd kan onderbouwen, heeft er tijdens de gehoren in het kader van de behandeling van zijn asielaanvraag een leeftijdsschouw plaatsgevonden. Daaruit volgt dat er twijfel is over de leeftijd van verzoeker. De IND heeft daarom onderzoek gedaan bij landen waar eiser doorheen is gereisd. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat verzoeker in Griekenland en Duitsland bekend is met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2000 en in Kroatië met de geboortedatum [geboortedatum 3] 2006. Volgens de IND heeft verzoeker geen verschoonbare verklaring gegeven voor de registratie in Griekenland. Ook zijn de verklaringen van verzoeker omtrent de wijze waarop zijn leeftijdsregistratie tot stand is gekomen tegenstrijdig met de informatie van de Griekse, Duitse en Kroatische autoriteiten hieromtrent hebben verschaft. De IND heeft de geboortedatum aangepast naar [geboortedatum 2] 2000.
4. In het bestreden besluit heeft het COa de leeftijdsbepaling van de IND gevolgd. Daarbij heeft het COa onder andere benadrukt dat de IND verantwoordelijk is voor de leeftijdsbepaling en dat het niet aan het COa is om te toetsen of de IND het leeftijdsonderzoek goed heeft gedaan. Het COa heeft verder opgemerkt dat verzoeker niet naar voren heeft gebracht welke opvangbehoeften hij mist en waarin niet zou kunnen worden voorzien in een reguliere opvanglocatie. Ook op locaties waar meerderjarigen worden opgevangen, biedt het COa zo nodig maatwerk aan. Mocht op een reguliere opvanglocatie onvoldoende begeleiding kunnen worden geboden, dan is er een aparte locatie voor intensieve begeleiding in [plaats] . Volgens het COa mag verzoeker dus worden overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie.
5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij niet mag worden overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie. Hij voert hiertoe aan dat de gewijzigde leeftijdsregistratie nog niet in rechte vaststaat. Zolang niet in rechte vaststaat dat hij meerderjarig is, moet van zijn minderjarigheid worden uitgegaan en moet zijn opvang aan alle procedurele en materiële waarborgen voldoen. Verzoeker wijst in dit verband op het arrest Darboe en Camara, paragrafen 153 en 154. [2] Verzoeker voert verder aan dat hij kwetsbaar is en dat hij de begeleiding van een minderjarige nodig heeft. Dit blijkt volgens hem uit een verklaring van zijn voogd van Nidos en van mentor van het COa van 24 april 2025. Verzoeker wijst er ook op dat uit de Opvangrichtlijn [3] en de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) volgt dat het COa gehouden is om te beoordelen of eiser bijzondere opvangbehoeften heeft. De leeftijdsregistratie door de IND doet niets aan deze verplichting af. Volgens verzoeker blijkt uit de verklaring van de voogd van Nidos en mentor van het COa duidelijk dat hiervan sprake is. De stelling van het COa dat als er in een reguliere opvanglocatie niet voldoende begeleiding kan worden geboden, verzoeker kan worden overgeplaatst naar de intensief begeleidende opvanglocatie te [plaats] , is volgens verzoeker onzorgvuldig. Hij valt namelijk niet binnen de doelgroep die hiervoor in aanmerking komt, althans dat heeft het COa volgens hem niet gemotiveerd. Verzoeker wijst ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 mei 2023. [4]
Is sprake van spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de overplaatsing naar een opvang voor meerderjarigen gepland is op 11 juli 2025.
Mocht het COa uitgaan van de leeftijdsregistratie door de IND?
7. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 [5] volgt dat het COa in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de IND. Dit is anders als een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. Dit is bijvoorbeeld het geval als een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij bij de IND is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan. In een dergelijke situatie moet het COa navraag doen bij de IND over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de IND zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoefte van de vreemdeling.
7.1.
Uit het bestreden besluit blijkt dat het COa navraag heeft gedaan bij de IND, waarbij de gronden van bezwaar zijn voorgelegd. Uit de memo van de IND van
11 april 2024 blijkt dat de verklaring van de voogd van Nidos voor de IND geen aanleiding is om te twijfelen over de leeftijdswijziging. De persoonlijke eigenschappen die in deze brief worden beschreven zeggen namelijk niets over de leeftijd van verzoeker. Ook worden er geen voorbeelden genoemd waaruit zou blijken dat het gedrag van verzoeker past bij een 17-jarige en niet bij een 24-jarige. Uit het verweerschrift blijkt dat het COa ook de (aanvullende) verklaring van de voogd van Nidos en mentor van het COa van 24 april 2025 aan de IND heeft voorgelegd. In de memo van 3 juni 2025 heeft de IND opgemerkt dat verzoeker ook hiermee de twijfel over zijn leeftijd niet weg heeft kunnen nemen. Het betreft namelijk subjectieve verklaringen van derden. Zo zouden de COA-begeleiding en docenten van school het er ‘unaniem’ over eens zijn dat verzoeker nog een kind is. Deze verklaringen zijn niet afkomstig van een medisch professional en zijn verder niet onderbouwd met medische stukken. Daarnaast kunnen de benoemde situaties, kenmerken en gedragingen volgens de IND ook passen in het profiel van een jongvolwassene.
7.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het COa de toelichting van de IND volgen. Het COa mocht de verklaringen van de voogd van Nidos en van de mentor van het COA onvoldoende vinden om te twijfelen aan de leeftijdsregistratie van [geboortedatum 2] 2000. Er is namelijk gesteld noch gebleken dat de opstellers van deze verklaring deskundig zijn op het gebied van leeftijdsbepaling. Bovendien heeft verzoeker zijn gestelde minderjarigheid verder niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Het COa mocht dus uitgaan van de meerderjarigheid van verzoeker.
7.3.
De verwijzing van verzoeker naar het arrest Darboe en Camara leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit dit arrest niet dat het COa, voor wat betreft het bieden van opvang, zonder meer gehouden is de gestelde minderjarige leeftijd van verzoeker te volgen, totdat in rechte is komen vast te staan dat hij niet minderjarig is. Het arrest maakt duidelijk dat het vermoeden van minderjarigheid in de kern met zich meebrengt dat, in het geval twijfel is gerezen over de opgegeven leeftijd en de autoriteiten daarnaar onderzoek verrichten, de betrokkene in het kader van dat onderzoek over voldoende procedurele waarborgen kan beschikken. Gesteld noch gebleken is dat het verzoeker aan voldoende procedurele waarborgen heeft ontbroken. De voorzieningenrechter volgt dus niet dat het COa het vermoeden van minderjarigheid onvoldoende in acht heeft genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het COa zelf beoordeeld of verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft?
8. Uit de Opvangrichtlijn en de Rva volgt dat het COa gehouden is om zelf te beoordelen of een vreemdeling bijzondere opvangbehoeften heeft. Het COa mag de registratie van een vreemdeling bij de IND betrekken bij de beoordeling of deze in een opvang voor meerder- of minderjarigen wordt geplaatst. Het COa moet wel tevens een eigen beoordeling maken van de opvangbehoefte van de vreemdeling. Dat volgt ook uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024.
8.1.
In het bestreden besluit heeft het COa het standpunt ingenomen dat verzoeker niet naar voren heeft gebracht welke opvangbehoeften hij mist en waarin niet kan worden voorzien in een reguliere opvanglocatie. Het COa heeft er daarbij op gewezen dat ook in een reguliere opvanglocatie maatwerk kan worden geboden en dat het mogelijk is om eiser over te plaatsen naar de intensief begeleidende opvanglocatie. In het verweerschrift heeft het COa toegelicht dat plaatsing op de intensief begeleidende opvanglocatie weliswaar in beginsel mogelijk is voor een maximum van drie maanden, maar dat dit niet betekent dat er geen verlenging mogelijk is. De intensief begeleidende opvanglocatie is gericht op het aanleren van vaardigheden en competenties waarmee de zelfredzaamheid van de bewoner toeneemt en deze hierdoor beter kan functioneren binnen de reguliere opvang. In hoeverre verzoeker hiervoor in aanmerking komt, zal volgens het COa moeten wijzen uit zijn verblijf op een reguliere opvanglocatie. Mogelijk volstaat de begeleiding daar.
8.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de overgelegde verklaringen van de voogd van Nidos en de mentor van het COa dat verzoeker begeleiding krijgt bij praktische dingen. Te denken is dan aan het opruimen van zijn kamer en dat hij herinnerd wordt aan afspraken. Verder heeft verzoeker volgens de verklaring onder andere nodig dat er altijd volwassenen beschikbaar zijn om hem te helpen, onder meer met het opbouwen van een sociaal netwerk. Ook zou verzoeker het onder andere moeilijk vinden om voor zichzelf op te komen, om hulp te vragen en om zich te verzetten tegen anderen. Hoewel dit volgens de voogd van Nidos en de mentor van het COa aanwijzingen zijn dat verzoeker extra begeleiding nodig heeft, blijkt hieruit niet van een specifieke opvangbehoefte. Het COa mag daarom vooralsnog wijzen op de mogelijkheid om maatwerk te bieden in een reguliere opvanglocatie. Voor zover verzoeker stelt dat hij kwetsbaar is, betekent dit niet dat hij in een opvang voor minderjarigen moet worden geplaatst. Ook blijkt uit het verweerschrift dat verzoeker valt onder de doelgroep die in aanmerking zou kunnen komen voor plaatsing in een intensief begeleidende opvanglocatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het COa niet hoeft te wachten met de overplaatsing van verzoeker totdat op het beroep is beslist. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717,
3.Richtlijn 2013/33/EU.