Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
terugkeer;
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 27 juni 2025 was opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie. De bewaring werd op 9 juli 2025 opgeheven, waarna de rechtbank zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.
Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij eerst zijn strafrechtelijke sanctie had moeten uitzitten en verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het navragen van openstaande strafrechtelijke vonnissen. De rechtbank oordeelde echter dat het beleid van de Vreemdelingencirculaire 2000 niet vereist dat voorafgaand aan bewaring wordt onderzocht of er nog strafrechtelijke vonnissen zijn, noch dat deze eerst moeten worden uitgezeten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder tijdig contact had opgenomen met het openbaar ministerie en dat de bewaring binnen een redelijke termijn was opgeheven. Er was geen sprake van onrechtmatigheid of onredelijke vertraging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.