Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
27 december 2022 op enig moment voorafgaande aan de opheffing op 2 januari 2023 daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
- Eiser is op 27 november 2022, komende vanuit Luik, in Eijsden aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 231, lid 2, Sr (zie proces-verbaal van aanhouding d.d. 27 november 2022 en het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging, ophouding d.d. 28 november 2022);
- Eiser is op 28 november 2022 terzake bovengenoemde verdenking in verzekering gesteld (zie proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling d.d. 28 november 2022);
- Op 28 november 2022 is een M122 opgemaakt waarbij aan eiser te kennen is gegeven dat (nog) niet is vastgesteld dat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland en in verband daarmee na ontslag uit (voorlopige) detentie wordt overgedragen op grond van de Vreemdelingenwet;
- Bij vonnis van 21 december 2022 van de politierechter is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met aftrek van de tijd die eiser in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
- Op 23 december 2022 geeft het CJIB een opdracht tot invrijheidstelling, waarin is vermeld dat de datum van invrijheidstelling is bepaald op 27 december 2022;
- Op 27 december 2022 is eiser overgenomen uit de strafrechtketen en opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld (zie de M105-A d.d. 27 december 2022, waarin is vermeld dat
móetenstellen omdat een nog openstaande straf ten tijde van het opleggen van de bewaringsmaatregel de rechtmatigheid hiervan regardeert.
géén vonnis van 28 december 2022betreft. Verweerder heeft een brief overgelegd van het CJIB die is gedateerd op 28 december 2022, maar betrekking heeft op het vonnis van 21 december 2022. Bij de “strafcomponenten” is vermeld dat de opgelegde straf 30 dagen betreft en de aftrek in verband met het voorarrest 24 dagen bedraagt zodat er nog 6 dagen van de straf zijn te ondergaan. Deze rekensom heeft echter betrekking op de situatie ten tijde van het vonnis van de PR, welk vonnis volgens deze brief en het uittreksel uit de Justitiële Documentatie onherroepelijk is geworden op de dag van de uitspraak, zodat eiser aanwezig moet zijn geweest bij de behandeling ter zitting en afstand heeft gedaan van zijn recht om in hoger beroep te gaan. Gelet op de datum van aanhouding, inverzekeringstelling en de berekening van de voorlopige hechtenis en de datum van het PR-vonnis heeft eiser op het moment dat de politierechter uitspraak doet, dus op 21 december 2022, 24 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Dat betekent dat eiser op 21 december 2022 nog zes dagen detentie van de maand onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf moest ondergaan. Dit blijkt ook uit het door verweerder bijgevoegde aantekening mondeling vonnis, waarin is vermeld dat het tegen eiser verleende bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. Ten tijde van het vonnis van de PR had eiser zijn onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dus nog niet uitgezeten, waarbij in het vonnis is bepaald dat eiser in detentie blijft en pas in vrijheid wordt gesteld als dat wel zo is. Eiser is op 27 december 2022, dus na ommekomst van die 6 dagen die ten tijde van het vonnis van de PR nog openstonden en dus op het moment dat de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is geworden aan de maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf, overgedragen uit strafdetentie naar de vreemdelingenketen. De rechtbank stelt dan ook vast dat eiser bij oplegging van de (eerste) maatregel op 27 december 2022 het gehele onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf die door de politierechter op 21 december 2021 is opgelegd heeft uitgezeten.
de eiser de opgelegde straf in het vonnis van 28 december 2022 nog moet ondergaan”. Het vonnis is immers door de politierechter uitgesproken op 21 december 2022 en vanaf dat moment heeft eiser in de periode tot aan zijn ontslag uit strafdetentie en aansluitende oplegging van de maatregel deze zes dagen “uitgezeten”. Dit leidt ook tot de vaststelling, gebaseerd op de stukken die zich thans in dit dossier bevinden, dat er geen rechtstitel bestond om eiser op 6 januari 2023 op strafrechtelijke gronden te detineren. De (tweede) maatregel die op 2 januari 2023 is opgelegd, had dus niet hoeven worden opgeheven op 6 januari 2023.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe ten bedrage van € 100,- voor 1 dag ondergane onrechtmatige vreemdelingenbewaring;