De minister van Asiel en Migratie legde op 7 augustus 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting. Eiser stelde dat de minister niet aan zijn informatieplicht had voldaan, omdat een vertaling van het besluit in het Arabisch niet als beëdigd werd aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat het vertaalbureau ambtshalve bekend is met beëdigde vertalers en verwierp deze beroepsgrond.
Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, omdat hij meewerkte aan terugkeer. De rechtbank stelde vast dat eiser eerder zonder bekend verblijf was vertrokken en dat een lichter middel onvoldoende garantie biedt dat hij daadwerkelijk zal terugkeren. De gronden voor bewaring werden niet betwist en de rechtbank achtte deze voldoende gemotiveerd.
Verder werd het zicht op uitzetting naar Algerije bevestigd, mede op basis van recente jurisprudentie en het feit dat een laissez-passer was aangevraagd en de consul bereid was tot gesprek. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.