ECLI:NL:RBDHA:2025:16832
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteit en middelenvereiste
Eisers, twee Eritrese broers, hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf bij hun gestelde vader. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvragen af omdat de identiteit van eisers niet aannemelijk was gemaakt, de familierechtelijke band met de referent niet was bewezen en het middelenvereiste niet was voldaan.
Eisers voerden aan dat zij voldoende bewijs hadden geleverd, waaronder geboorteakten en verblijfsvergunningen, en dat er sprake was van bewijsnood vanwege de lastige positie van Eritrese statushouders. Ook stelden zij dat de referent onterecht niet werd vrijgesteld van het middelenvereiste omdat hij een uitkering ontvangt en niet hoeft te solliciteren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het middelenvereiste als niet voldaan beschouwde, omdat eisers geen bewijs leverden van inkomen of ontheffing van arbeidsinschakeling. De identiteit en familierechtelijke relatie waren onvoldoende aannemelijk gemaakt vanwege het ontbreken van vertalingen en legalisaties, ondanks dat deze laat werden aangeleverd. Het beroep op bewijsnood werd niet gevolgd.
Daarnaast was het horen van de referent in bezwaar niet noodzakelijk omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees verzoeken om griffierecht- en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en niet voldoen aan het middelenvereiste.