AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bewaring onrechtmatig voortgezet na uiting asielwens, schadevergoeding toegekend
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 22 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Op 13 augustus 2025 uitte hij een asielwens, waarna de minister de maatregel van bewaring pas op 18 augustus 2025 omzette naar een andere maatregel, drie dagen te laat volgens eiser. De rechtbank toetste of de voortzetting van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was, maar dat vanaf het moment van de asielwens de minister voortvarend had moeten handelen en de maatregel uiterlijk binnen twee dagen had moeten omzetten. De maatregel was daarom onrechtmatig vanaf 16 augustus 2025. De rechtbank verwierp het standpunt dat de onrechtmatigheid al vanaf 13 augustus bestond, omdat de minister tijd kreeg om eiser te horen en de belangen af te wegen.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €300 voor de drie dagen dat de bewaring onrechtmatig voortduurde en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.814. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De bewaring was onrechtmatig vanaf 16 augustus 2025 en eiser kreeg een schadevergoeding van €300 toegekend.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
De minister heeft op 22 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De minister heeft op 18 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgeheven en omgezet naar een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. De minister heeft daarbij erkend dat de maatregel van bewaring drie dagen te laat is omgezet, en heeft hiervoor schadevergoeding aangeboden. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2025, samen met de zaak NL25.39072, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 vanPro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 augustus 2025 (in de zaak NL25.35647) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat hij op 13 augustus 2025 een asielwens heeft geuit. Volgens eiser had de minister de maatregel van bewaring op diezelfde dag moeten opheffen en omzetten naar een nieuwe maatregel. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024.1 In die uitspraak heeft de rechtbank er onder andere op gewezen dat een vreemdeling die een asielaanvraag doet onder de Opvangrichtlijn2 valt (en niet meer onder de Terugkeerrichtlijn3), en dat er een beoordeling van proportionaliteit en evenredigheid moet plaatsvinden. De minister heeft de maatregel van bewaring dus te laat omgezet, en het aanbod van schadevergoeding voor drie dagen volstaat niet. Eiser heeft in zijn beroepsgronden ook aangevoerd dat, hoewel er volgens vaste jurisprudentie een termijn is van 48 uur is om de maatregel om te zetten, deze termijn niet zonder meer ongebruikt mag vollopen. Uit het dossier blijkt niet waarom de maatregel niet eerder is omgezet.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat eiser op 13 augustus 2025 een asielwens heeft geuit. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)4 kan worden afgeleid dat de minister voortvarend handelt als de maatregel van bewaring binnen twee dagen wordt omgezet. De minister had de maatregel van bewaring dus uiterlijk op 15 augustus 2025 moeten omzetten. De maatregel van bewaring was daarom onrechtmatig met ingang van 16 augustus 2025. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de maatregel onrechtmatig is met ingang van 13 augustus 2025. Zoals hiervoor is toegelicht, volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling dat de minister enige tijd wordt gegund om de maatregel op te heffen of om te zetten. Dat veronderstelt ook dat de minister tijd heeft om eiser te horen over zijn belangen ten aanzien van de nieuwe maatregel, wat ook is gebeurd. Verder heeft eiser niet toegelicht welke waarborgen, die volgen uit de Opvangrichtlijn, hem zijn onthouden in de periode dat hij een asielwens had geuit, maar nog wel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring werd gehouden.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 16 augustus 2025 onrechtmatig.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen van € 300 over de periode van 16 augustus 2025 tot en met 18 augustus 2025 (3 x € 100,- voor verblijf in het detentiecentrum).
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 september 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.