Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 9 september 2025 het beroep van een asielzoeker uit Nigeria behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de asielzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure of opvang.
De asielzoeker stelde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, en verwees naar mogelijke schendingen van zijn rechten in Duitsland, waaronder mishandeling en discriminatie. De rechtbank stelt echter vast dat deze beweringen niet concreet en onderbouwd zijn, en dat de minister alle relevante overwegingen heeft meegenomen in het besluit. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat de minister de mogelijkheid geeft de aanvraag zelf te behandelen bij bijzondere omstandigheden, wordt verworpen omdat de asielzoeker geen objectieve medische of psychische onderbouwing heeft geleverd.
De rechtbank bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel inhoudt dat Nederland mag vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland, tenzij de asielzoeker met concrete aanwijzingen het tegendeel aantoont. Dit is niet gelukt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de asielzoeker mag worden overgedragen aan Duitsland. Proceskosten worden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielzoeker mag worden overgedragen aan Duitsland.