ECLI:NL:RBDHA:2025:16417
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet tijdig besluit op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn ouders en broers. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn van 90 dagen, met een verlenging van drie maanden, heeft overschreden zonder een besluit te nemen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig is ingesteld na een rechtsgeldige ingebrekestelling. Gezien de bijzondere omstandigheden rond aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d Awb een langere beslistermijn op dan de standaard twee weken. In dit geval acht de rechtbank een termijn van acht weken passend, tenzij verweerder binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk meedeelt, waarna een termijn van twintig weken geldt.
Verder bepaalt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van de termijn, maar wijst het verzoek tot vaststelling van een reeds verbeurde dwangsom af vanwege de nieuwe wettelijke regeling. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten en het griffierecht van eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter S.E. van de Merbel en griffier N.A. D’Hoore, en is openbaar gemaakt op 2 september 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een beslistermijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen.