Eiser heeft beroep ingesteld tegen een bewaringsmaatregel opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zware gronden (3b en 3c) en lichte gronden (4c en 4d). Eiser stelde dat verweerder niet aan de informatieplicht had voldaan en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan de informatieplicht heeft voldaan door middel van een kruisjesformulier in de Azerbeidzjaanse taal en dat lichte grond 4e niet aan eiser wordt tegengeworpen. De zware gronden 3b en 3c zijn feitelijk onderbouwd met verwijzing naar een terugkeerbesluit en het niet voldoen daaraan door eiser. Ook de lichte gronden 4c en 4d zijn deugdelijk gemotiveerd, gezien het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
Verder concludeert de rechtbank dat geen minder dwingende, maar afdoende maatregelen dan de inbewaringstelling mogelijk waren, mede gelet op het risico van onttrekking en het late tijdstip waarop eiser pogingen deed om documenten te verkrijgen. Persoonlijke omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken, zijn niet gebleken.
Tot slot toetst de rechtbank ambtshalve de rechtsmatigheid van de maatregel en ziet geen onrechtmatigheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.