Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van Delrin Netherlands B.V. tegen het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland over een omgevingsvergunning voor het veranderen van haar inrichting. De rechtbank beoordeelt of het college het voorzorgsbeginsel correct heeft toegepast bij het hanteren van beschermingsregimes voor potentieel zeer zorgwekkende stoffen (pZZS) en Gelijkwaardige zorg-stoffen, anticiperend op een definitieve kwalificatie als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).
De rechtbank oordeelt dat het college binnen zijn beoordelingsruimte in beginsel het voorzorgsbeginsel mag toepassen, maar dat het college in deze zaak onvoldoende een risico-evaluatie heeft uitgevoerd zoals vereist volgens de Europese Mededeling. Hierdoor is het voorzorgsbeginsel onjuist toegepast en zijn de voorschriften voor pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen niet voldoende gemotiveerd. Tevens is het voorschrift over het meten van hemelwater vernietigd wegens onvoldoende milieubelang.
Verder bevestigt de rechtbank dat de drinkwaterbedrijven als belanghebbenden moeten worden aangemerkt vanwege mogelijke milieugevolgen van PFAS-lozingen. De rechtbank vervangt ook enkele procesinstallatievoorschriften in overleg met partijen. Het beroep wordt gegrond verklaard, diverse voorschriften vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.